Kunstwereld moet geldruif niet willen

Begin deze week werd het advies van de Raad van Cultuur betreffende de verdeling van geld voor de kunstsector, openbaar. De vraag is nu wat staatssecretaris Van der Ploeg zal doen. Intussen is duidelijk wat de kunstenaars zouden moeten doen: onafhankelijk durven zijn van de overheid én van de markt, vindt

Het vierjaarlijkse ritueel van de financiële voedering van de kunstzinnige instellingen is volop aan de gang. En dat betekent dat vrijwel iedereen die wat wil op artistiek gebied, zich momenteel rond de ruif van de overheid verdringt. Het is dringen geblazen, want voor een wel zeer hongerige kunstsector is de ruif mager gevuld. Maandag kwam de sector zelf met een advies over de verdeling van het geld. De Raad van Cultuur wikte en woog en adviseert nu een aantal grote gezelschappen te kortwieken en zelfs op te doeken, een paar kleine gezelschappen groot te maken en tal van kleine gezelschappen en instellingen een structurele kans te geven. De beurt is nu aan de staatssecretaris om het advies van de sector al dan niet te aanvaarden. Het laatste woord is aan het parlement. Iedereen doet ongetwijfeld zijn of haar best. Iedereen probeert ongetwijfeld zo eerlijk mogelijk te zijn. Maar het blijft een gênante vertoning die, als we eerlijk zijn, moeilijk goed te praten is.

Het is bijvoorbeeld gênant om te zien hoeveel energie, tijd en middelen al die artistieke mensen steken in het lobbyen bij ambtenaren en politici. Het is gênant om te merken hoe gefixeerd iedereen in de kunstwereld is op Rick van der Ploeg omdat hij toevallig staatssecretaris voor Cultuur is. Een gesprek met een regisseur, zakelijk leider, curator, acteur of kunstenaar is bijna ondenkbaar zonder dat zijn naam passeert. `Ja, Rick was hier laatst en vond het geweldig wat wij doen.' Oftewel: dat geld komt er wel. Zegt Van der Ploeg dat iets meer voor en met allochtonen en jongeren moet gebeuren, dan pent de gehele kunstsector braaf in haar plannen iets over jongeren en allochtonen. Toen Van der Ploeg duidelijk maakte meer aandacht voor kwaliteit en publieksbereik te willen, morde de kunstwereld een beetje maar ieder voor zich hield er maar mooi rekening mee. Je weet maar nooit. Voor een wereld die er prat op gaat autonoom te zijn en provocerend en grensverleggend als het moet, is dat gedwee meegaan met welke beleidswendingen van de overheid ook gênant te noemen.

Het is ook gênant te zien hoe achterbaks en gemeen men wordt in die kleine kunstsector nu het menens wordt. Met leedvermaak wordt gepraat over de grote jongens die in hun budget gesnoeid dreigen te worden en vernietigend wordt gesproken over de kleine jongens die zomaar een grote buidel geld dreigen te krijgen. En het is gênant dat de Appel er pardoes mee ophoudt omdat ze haar subsidie dreigt mis te lopen. Waarom gaat het eigenlijk in deze wereld? Geld brengt niet het beste uit deze sector, zeker nu er te weinig van is om alle gegadigden te bedienen. De een zijn brood is de ander zijn dood. En dat heet kunst.

Het aanwenden van belastinggeld voor de kunsten blijft een moeilijk te verdedigen zaak. Het probleem is dat de overheid in het geval van de kunsten inhoudelijk moet oordelen. Dat is een probleem, want ze wordt geacht objectief te zijn. Kan ze dat wel in het geval van de kunsten? Sommige mensen geloven dat het toneel van Boermans, ik noem maar wat, goede kunst is terwijl anderen veel meer kunst beleven bij het toneel dat toneelgroep de Appel maakt. Best, maar dient de overheid zich in dergelijke geloofsdisputen te mengen en, sterker nog, zich voor scheidsrechter te laten lenen? In navolging van Thorbecke zeggen we hartelijk `nee', maar in de praktijk van het cultuurbeleid ontkomt de overheid er niet aan.

De truc waarmee de overheid de rol van scheidsrechter probeert te ontlopen, is die Raad van Cultuur. Dat is een groep mensen uit de kunstsector die de aanvragen voor subsidie beoordeelt en vervolgens de staatssecretaris adviseert hoe hij zijn geld dient te verdelen. Maar de schijn bedriegt. Inhoudelijk beïnvloedt de staatssecretaris dat advies al met zijn cultuurnota (`Cultuur als confrontatie' heet die van Van der Ploeg). Zo'n nota gaat over alles en nog wat, zoals kwaliteit, diversiteit, doorstroming, marktwerking en kan ingrijpende consequenties hebben voor de wijze waarop de pot verdeeld wordt. Dus hield de de hele kunstwereld daarmee rekening bij het opstellen van de subsidieaanvragen (door iets over het publiek en dan vooral de jongeren en allochtonen mee te nemen). Tot verbijstering van velen heeft de Raad niet altijd met die nota rekening gehouden. Zou je zeggen dat een groot publieksbereik positief is volgens de nota, gebruikt de Raad dat als een argument tegen subsidiëring. Wat moet Van der Ploeg daar nu mee?

Helemaal problematisch wordt het wanneer de criteria van artisticiteit en kwaliteit worden bezien die de Raad nu toegepast heeft. Het ene gezelschap wordt geprezen voor artistieke stabiliteit, terwijl een ander gezelschap een negatief advies krijgt omdat het `ooit verworven kwaliteiten consolideert'. Missen twee instellingen artistieke kwaliteiten, dan krijgt de ene toch een positief advies op basis van belofte van de toekomst. Noemt de staatsseretaris doorstroming een belangrijk criterium, adviseert de Raad die jonge kunstenaars hun eigen organisaties met kantoortje en alles te geven. Met die aanpak zou ze doorstroming juist kunnen belemmeren. En wat te doen met het advies om subsidies aan flinke organisaties zoals het Noordhollands Symphonieorkest, de Appel en Felix Meritis stop te zetten? Is de onzekerheid en instabiliteit die een dergelijk beleid teweegbrengt, wenselijk? Benoem een andere Raad en het oordeel zou wel eens dramatisch anders kunnen zijn.

Hoe dan ook, de staatssecretaris moet nu beslissen. Hoe onafhankelijk is hij? Hoe onafhankelijk is zijn apparaat? Nederland is een klein land en persoonlijke verbintenissen krijg je gauw. Neemt hij de adviezen van de Raad in haar geheel over, dan erkent hij dat de overheid niet kan ingrijpen in de geloofsstrijd binnen de kunstwereld, en dat zijn eigen cultuurnota geen betekenis heeft. Wijkt hij af van de adviezen, dan grijpt hij in en speelt hij voor scheidsrechter. In dat geval is hij, de overheid, niet objectief meer. Dan gaat hij buiten zijn boekje. Reken maar dat van de Ploeg de tweede optie kiest.

De vraag is nu aan de kunstenaars. Zijn zij mans genoeg een einde te maken aan deze gênante vertoning? Het advies: durf onafhankelijk te zijn van de overheid en de markt, heb een visie en maak je sterk voor je kunst. En zorg ervoor dat wij, de burgers, zó in jullie geloven dat we wat over hebben voor wat jullie doen. Dat is niet alleen eerlijk, dat is ook kunst.

Arjo Klamer is hoogleraar in de Economie van Kunst en Cultuur aan de Erasmus Universiteit.

    • Arjo Klamer