KINDEREN VAN TWAALF SLAPEN EEN UUR TE WEINIG

Kinderen van twaalf jaar slapen een uur minder per nacht dan kinderen van acht jaar, vooral omdat ze later naar bed gaan. Dit blijkt uit een onderzoek onder 140 `gewone' Israelische scholieren uit hogere en middenklassemilieus bij wie door een `actigraph' om de pols vijf nachten lang de slaapduur werd gemeten (Developmental Psychology mei, p. 291-301). De kinderen van acht sliepen netto gemiddeld achtenhalf uur per nacht, die van 12 zevenenhalf. Bijna twintig procent van de kinderen tussen acht en 12 slaapt `problematisch' (dat wil zeggen: tien procent van de `slaaptijd' wakker zijn of meer dan twee keer per nacht langer dan vijf minuten wakker zijn). In het wakker liggen was geen verschil tussen de verschillende leeftijden: de oudere kinderen hebben niet meer objectieve slaapproblemen dan de jongere kinderen. De door de actigraph gemeten mate van wakker liggen blijkt ook nauwelijks samen te hangen met de subjectieve beleving van de slaap: die kinderen zeggen niet vaker dan anderen dat ze slaperig zijn.

Toch blijkt uit onderzoek van dagboekjes dat de oudere kinderen (die korter slapen) vaker schrijven slaperig te zijn dan de jongere kinderen. Dat blijkt met name samen te hangen met de totale slaapduur. Volgens de onderzoekers kan dit patroon erop wijzen dat de oudere kinderen fysiologisch echt slaap te kort komen. De onderzoekers opperen dat het slechte slaappatroon bij pubers, die vaak chronisch slaap tekort hebben (mede omdat het als `stoer' geldt om weinig te slapen), wel eens eerder kan inzetten dan tot nu toe werd gedacht. Anders gezegd: de kinderen gaan gewoon te laat naar bed.

Een opmerkelijk gegeven is ook dat 12-jarigen met jongere ouders relatief eerder naar bed gaan en dus ook beter uitgeslapen zijn. Misschien dat jongere ouders strikter zijn in het handhaven van de bedtijden, aldus de onderzoekers. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat de aanwezigheid van oudere broertjes of zusjes (die vaak samenhangt met de leeftijd van de ouders) de bedtijd negatief beïnvloedt. Verder blijkt uit het onderzoek dat meisjes langer slapen dan jongens. Meisjes bewegen ook minder in hun slaap. Kinderen van hoger opgeleide ouders blijken ook langer te slapen.

Vorig jaar bleek uit een onderzoek onder ruim vierhonderd Nederlandse scholieren van elf en twaalf jaar dat een kwart van hen zegt `niet uitgeslapen' naar school te komen (Nederlands Tijdschrift voor Psychologie, juni 1999). Dit kwart bleek ook een slechter concentratievermogen te hebben. Dit percentage slechte slapers lijkt dus wel overeen te komen met dat bij de even oude Israelische schoolkinderen. De slaaptijd is moeilijk te vergelijken omdat in dit Nederlandse onderzoek geen objectieve gegevens gemeten zijn. De kinderen zeiden zelf ongeveer tien uur te slapen. Uit het Israelische onderzoek blijkt overigens dat de onderzochte kinderen gemiddeld 6 procent van de `bruto' slaaptijd wakker lagen (de leeftijd maakte niet veel uit), zodat we van die Nederlandse tien uur sowieso al ruim een half uur af zouden mogen trekken. Uit het Nederlandse onderzoek bleek overigens dat de opgegeven slaapduur niet samenhing met `slaperigheid' en concentratieproblemen. De mate waarin de kinderen zeiden vaak 's nachts wakker te worden was daarvoor veel belangrijker.

De slaap van kinderen is moeilijk te meten, omdat verblijf in een slaaplaboratorium nogal ingrijpend is en de subjectieve opgaves meestal niet erg betrouwbaar zijn. De Israelische onderzoekers, onder leiding van Avi Sadeh van de Universiteit van Tel Aviv, zien in de actigraph een goede uitweg uit dit probleem. De actigraph meet de bewegingen, waaruit de slaappatronen kunnen worden afgeleid, met een betrouwbaarheid van 85 tot 95 procent. Ze schrijven in Developmental Psychology hun onderzoek vooral te beschouwen als een poging om gegevens te verkrijgen over hoeveel slaap kinderen van een bepaalde leeftijd eigenlijk nodig hebben.

    • Hendrik Spiering