`Ick heb het gedaen'

Hoe moet prins Willem-Alexander zijn huwelijkspartner kiezen? Laat hem zijn hart volgen, antwoordt de meerderheid van de Nederlandse bevolking. Had zijn voorvader, Willem Frederik van Nassau (1613-1664), stadhouder van Friesland, dat gedaan, dan was Willem-Alexander er niet geweest. Cultuurhistoricus Luuc Kooijmans schreef een biografie over de regent die zijn passie nauwelijks kon beteugelen.

Lust, berouw en angst wisselden elkaar in het leven van de Friese stadhouder Willem Frederik (1613-1664) in rap tempo af. In de twaalf jaar dat hij lobbyde voor een huwelijk met een Oranje-prinses, had hij regelmatig vriendinnen en verkeerde hij vaak in ,,goedt geselschap'' (hoeren, red.). Na afloop werd hij steevast gekweld door diep zondebesef. ,,Ick weet niet hoe ick den duijvel, de werelt, mijn vleesch sooveul ruijm heb gegeven'', schreef hij bijvoorbeeld in juli 1649. ,,Ick hoop ick sal stantvastiger worden en mijn wachtende in toekomende voor die sonde''.

Als telg uit de Friese Nassau-Diez tak die, anders dan de Oranje-Nassau-tak, geen prinsentitel had, was Willem Frederik vastbesloten om met een Oranje-prinses te trouwen. Dat had hij aan zijn overleden moeder, Sophia van Brunswijk-Wolfenbuttel (1592-1642) beloofd. Maar zo makkelijk was dat niet. Amalia van Solms, de moeder van de door Willem Frederik beoogde bruiden Louise en Albertine van Oranje, had ook zo haar eigen agenda. In de zeventiende eeuw ging een huwelijk in adellijke kring in de eerste plaats om de eer en de overleving van de familie. Een huwelijk was net als oorlog: het middel bij uitstek om macht, status en/of geld te verwerven.

In het boek Liefde in opdracht, dat afgelopen donderdag is verschenen, beschrijft cultuurhistoricus Luuc Kooijmans (1956) de emotionele worsteling die Willem Frederik doormaakte om zijn doel, trouwen met een Oranje-prinses, te bereiken. Belangrijkste bron voor Kooijmans, die eerder het boek Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw publiceerde, was het persoonlijke dagboek dat Willem Frederik jarenlang bijhield. Hij schrijft daarin over de vernederingen die hij moest doorstaan van zijn beoogde schoonmoeder, Amalia van Solms, de liefdes die hij moest laten passeren en het schuldgevoel dat hem plaagde als hij zijn lage lusten weer eens niet de baas was. Kooijmans: ,,Willem Frederik was emotioneel en had moeite om het overzicht te houden. Zijn dagboek hielp hem om op het goede spoor te blijven.''

De Friese stadhouder slaagde er met veel moeite in te trouwen met Albertine van Oranje (1634-1696), kleindochter van Willem I en dochter van de Hollandse stadhouder Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Tekenend voor de zeventiende-eeuwse situatie, waarin voor- en nageslacht van groter belang werden geacht dan de levende personen zelf, is dat Willem Frederik het grootste succes van dat huwelijk zelf niet meer meemaakte. De echte triomf kwam pas vijftig jaar later, in 1702, toen Willem III van Oranje kinderloos stierf en de Hollandse tak van Oranje-Nassau uitstierf. De prinsentitel van de Oranjes ging daardoor over op de Friese tak: op de achterkleinzoon van Willem Frederik en Albertine, Willem IV.

Zo schopte Willem Frederik het, mede dankzij zijn huwelijk met Albertine, postuum dus tot voorvader van de huidige koningin Beatrix. Willem Frederik worstelde met de plichten die hij had te vervullen. Zijn zondebesef botste met zijn lustgevoelens, zijn streven naar oprechtheid met de hofcultuur waar de waarheid zeggen gold als een taboe. Als mentaliteitshistoricus is Kooijmans Willem Frederik dankbaar voor zijn weerbarstigheid. Wat zijn zelfbeheersing hem dagelijks belette te zeggen, spuide hij schrijvend: dat hij 's nachts zaadlozingen had, aan een geslachtsziekte leed en dat Amalia van Solms uit haar mond stonk. Kooijmans: ,,Het feit dat hij zo'n consciëntieuze dagboekschrijver was, zegt wel iets over zijn eenzaamheid.''

Amalia van Solms verkocht Willem Frederik inzake de hand van haar dochters Louise en Albertine geen ja en geen nee, waardoor hij jarenlang voor haar bleef draven. Hij nam haar mee uit rijden en vergezelde haar op reisjes. Je kon ,,gheen staet maecken op de saecken van de werelt, besonder aan het hoff'',schreef hij in zijn dagboek, vooral ,,als de vrouwen regeren, die quinteux sijn en bisard, colerisch''. Hij hield zichzelf steeds voor dat hij ,,heel voorsichtigh'' moest zijn. Maar op de gebeurtenissen die zijn lot beïnvloedden, had hij nauwelijks greep. Het huwelijk van Amalia's zoon Willem II met de dochter van de Engelse koning bijvoorbeeld, wakkerde Amalia's ambities aan, en verkleinde de kans dat Willem Frederik met Louise kon trouwen. Louise ,,hiel veul van mij'' noteerde Willem Frederik in zijn dagboek. Maar dat interesseerde Amalia niets. Echt verliefd was Louise overigens op de Franse graaf van Talmont met wie zij een geheime briefwisseling onderhield. Toen Amalia die onderschepte, deed dat Willem Frederiks zaak weer goed: tegen de Fransman stak hij af als een wonder van degelijkheid.

Maar na twee jaar lang heen en weer te zijn geslingerd tussen hoop en wanhoop, legde Willem Frederik het in 1646 af tegen de oude en ziekelijke Duitse keurvorst van Brandenburg. Voor Louise was dat gedwongen huwelijk een drama. ,,Oo wass ick doch doot, of wass ick een bourin, soo mocht ik doch iemantz nemen die ick kende, nae mijn sinn en die ick liefhad'', tekende Willem Frederik op uit haar mond. Zelf sprak hij van een ,,groot ongeluck'', maar hoewel hij nog empathisch opmerkte dat Louise's ,,oochjes gekreten hadden'', trok hij ook meteen een rationele conclusie: ,,,Nu resteert mademoisel Albertine (jongere zus van Louise, red.) noch: wat daeraf worden sal, sal den tijd leere''.

Willem Frederik zette het na zijn nederlaag op een drinken met Louise's broer Willem II en probeerde te denken aan haar tekortkomingen: haar niet zo rechte rug, slechte adem en de heup waar ze last van had. Verhaal halen bij Amalia zat er niet in: hij had haar nog nodig. Directe confrontaties waren bovendien taboe aan het hof, waar afspraken nooit expliciet waren. Als je iemand goed behandelde, mocht je verwachten dat die persoon iets zou terugdoen. Maar wat, waar of wanneer, dat was nooit zeker. ,,Swijgen daarom op alles stil'' nam Willem Frederik zich voor ,,ende laeten sich alles welgevallen watter geschiedt, of men soll de kans verkerven''.

Willem Frederik staat in de vaderlandse geschiedenis volgens Kooijmans niet bekend om zijn kwaliteiten. Integendeel. De negentiende-eeuwse geschiedschrijver Bilderdijk noemde hem een `onnoozele wurm'. De twintigste-eeuwse historici R. Fruin, P. Geyl en L. Rogier beschreven hem respectievelijk als iemand met een `doldriftig brein', als een `stokebrand' en een `karakterzwakke intrigant van geringe begaafdheid'. Zijn grootste wapenfeit was een militaire aanval op Amsterdam die hij beraamde samen met zijn collega-stadhouder Willem II. Aanleiding was het voornemen van de Staten om te bezuinigen op de strijdkrachten. Het werd een grote mislukking – door het slechte weer raakten de soldaten al in de problemen voordat ze goed en wel in Amsterdam waren aangekomen. De controverse tussen de Staten en de stadhouders was niet met één veldslag op te lossen. De bladzijden uit het dagboek van Willem Frederik rond die tijd zijn overigens verdwenen. Kooijmans: ,,Het was toch een soort coup. Generaties na hem vonden dat kennelijk te pijnlijk.''

Na het debacle met Louise was Willem Frederik terug bij af. Albertine had nog niet de huwbare leeftijd dus stortte hij zich in relaties met andere vrouwen. Met de Friese Sophie van Haren onderhield hij een briefwisseling en zat hij ,,dicht bijeen'' en ,,raecke haer voeten en knyken''. Zijn voornemen om ,,met de wercken dess geest de wercken des vleesch te ooverwinnen'', was tevergeefs. In 1649 begon hij een gepassioneerde verhouding met de 23-jarige Trees van Brederode, een ,,hubse vrouw'' die hij `L' noemde. Twee dagen na de ontmoeting met `L' noteerde hij in zijn dagboek dat hij ,,'s morgens een ongeluck mit de handt'' had gehad. Op 26 juni ,,heb ick dat L. gekust'' schreef hij. En een week later: ,,Ick heb het gedaen''.

Willem Frederik was vooral bang dat Trees zwanger zou raken, hetgeen overigens niet gebeurde. ,,Ick heb verstaen mit vreuchde en seer groote blieschap, dat alles wel is en heeft sie haere maenden en stonden. (...) Most nu in 't toekomende wijs wesen, mij voor diergelijcke wachten.'' God had hem laten ontsnappen, meende Willem Frederik. ,,Ick had kunnen gestraft worden, dat L. wass swahr geworden: soo iss doch niet geschiet, en ben ick voor ditmahl noch vrie gekomen (...) Ick dank de Heer voor dese en alle genaden.'' Maar de volgende dag schreef hij alweer: ,,Ick heb het niet kunnen laeten te doen.'' Willem Frederik speelde volgens Kooijmans nooit met de gedachte om de vrouwen met wie hij romances had te huwen. ,,Wat betreft het huwelijk gold voor hem altijd maar die ene opdracht: trouwen met een prinses.'' De intensieve omgang met zijn beoogde schoonmoeder was een noodzakelijk kwaad. Willem Frederik had een hekel aan Amalia, maar omdat zij de genius was achter de huwelijken van haar dochters, had hij haar hard nodig. Toen hij hoorde dat het gerucht ging dat hij op Albertine uit was, loog hij tegen Amalia: ,,Ick ben uwe Hoocheits diener niet geweest om haer fortuijn, maer om haere goede qualiteiten''. In zijn dagboek schreef hij intussen wat hij werkelijk vond van Amalia: ,,'T is een vaine vrau die niet acht als sichselfs en wat haer persoon aengaet, voor de rest acht se niemantz en vraecht na niemantz en geeft nievers om.''

Aan het Hof van Amalia en de Hollandse stadhouder Frederik Hendrik was het een komen en gaan van mensen die er op uit waren om hun positie en die van hun familie te verbeteren. Er waren gunsten te vergeven, zoals benoemingen, en daar kwamen diensten voor terug. Om succesvol te zijn, moest men in staat zijn machtsverhoudingen goed in te schatten en de etiquette kennen: welke kleding moest men dragen op welk moment? Wie liet men voorgaan in het passeren? Voor wie nam men de hoed af? ,,Uiterlijk was het hofleven met alle feesten en leuke uitjes uitermate vrolijk'', zegt Kooijmans. ,,Maar ondertussen speelde er een keiharde strijd en was er groot onderling wantrouwen.''

Als telg uit de Friese Nassau-Diez tak, lager in rang dan de prinselijke Oranje-Nassau-familie in Den Haag, moest Willem Frederik hard zijn best doen om aan het hof een prominente plaats te krijgen. Hij voelde zich aan het hof, waar vriendschap een schijnvertoning was, niet helemaal senang. ,,All weet ick de dinghen beter, soo moet ik mij doch bedwingen en seggen 't niet'', schreef hij in 1644. Willem Frederik was niet zakelijk en berekenend genoeg voor het hofleven, zegt Kooijmans. ,,Hij worstelde voortdurend met de vraag: kan ik openhartig zijn, of zal informatie die ik geef tegen mij gebruikt worden?'' Financieel had hij ook moeite om alles bij te benen. Willem Frederik verloor met kaarten soms bedragen die hij zich helemaal niet kon permitteren.

Willem Frederik geeft in zijn dagboek hoog op van de goddelijke genade die hem in zijn ogen ten deel valt. Kooijmans: ,,Ieder ongeluk wist hij uit te leggen als een geluk. Als hij door het ijs zakt, dankt hij god dat hij er zo goed van af is gekomen.''

Maar in werkelijkheid had Willem Frederik veel pech. Zijn moeder hield altijd al meer van zijn broer dan van hem, de enige militaire daad die hij stelde werd een mislukking, de nukken van Amalia van Solms vergden het uiterste van zijn zelfbeheersing en hij was vaak ziek.

Kooijmans: ,,Hij was een beetje een schlemiel, maar dat maakt hem juist wel sympathiek.'' Behalve aan een `drup' – in Willem-Frederiks ogen de straf van god voor zijn seksuele uitspattingen – leed hij aan koortsaanvallen. Volgens de toen geldende geneeskunde moesten bij ziekte de `slechte sappen' het lichaam verlaten. Willem Frederik kreeg van dokters en apothekers een braakmiddel, een laxeermiddel en aderlatingen, die hem alleen maar verder verzwakten.

Naarmate het wachten op uitsluitsel over een huwelijk met Albertine langer duurde, kreeg Willem Frederik steeds minder vertrouwen in een goede afloop. Dat kwam ook omdat Albertine hem als persoon tegenviel. ,,Het is een erch spijtich en hooveerdich meisyen'', noteerde hij in zijn dagboek. Hij vreesde dat ze hem ,,oock niet lieff soude krijghen en affectie draeghen.'' Van anderen hoorde hij dat Albertine hem te serieus vond en te sober.

Maar hij hield alle ijzers in het vuur. Terwijl hij al stappen ondernam om de rijke Anne de Caumont uit Frankrijk te huwen, meldde Willem Frederik zich nog steeds tweemaal daags bij het hof met de vraag of hij Amalia van Solms nog ergens mee van dienst kon zijn. Na de vroegtijdige dood van Amalia's zoon Willem II in 1650, wierpen zijn inspanningen eindelijk vrucht af. Willem Frederik vernam in 1651, na twaalf jaar bedelen, van Amalia dat over een huwelijk met Albertine te praten viel. Kooijmans: ,,Amalia had na de dood van Willem II weer een stadhouder nodig in de familie. Ze wilde voorkomen dat de macht van de Oranjes zou weglekken naar het buitenland.''

Over de huwelijkse voorwaarden werd lang gesteggeld. Willem Frederik, die met grote financiële problemen kampte, was teleurgesteld dat Albertine slechts hondervijftigduizend gulden inbracht. Van hem werd een huwelijkscadeau verwacht van dertigduizend gulden, maar daarnaast moest hij Albertine jaarlijks zevenduizend gulden geven voor persoonlijke uitgaven en tienduizend gulden voor haar hofpersoneel.

Willem Frederik zorgde er wel voor dat in het huwelijkscontract kwam te staan dat `de bruijloft ende copulatie' meteen na ondertekening zou worden `geconsommeerd'. Toen het huwelijk op donderdag 2 mei 1651 plaatshad verzuchtte Willem Frederik: ,,Godt sie gedanckt dat het soo wijt gekomen is. Hoop het sal een goedt hauwelijck geven.''

Albertine hield zich niet aan het contract: ze ontliep hem in de huwelijksnacht. ,,Den 3 may vrijdach ben ick eerst bij de princes Albertine te bedde gegaen'', noteerde Willem Frederik. Hoewel van een grote liefde nooit sprake was geweest, streefde hij toch naar een liefdevol huwelijk met Albertine, die ,,noijt vrauwe sal bij mij worden, maer altijd geholden als een matresse''. Hij bad tot god ,,dat die soete princesse wat genegenheit voor mij mocht kriegen''. Dat is volgens Kooijmans echter nooit goed gelukt. Het duurde lang voordat er kinderen kwamen en toen die er eenmaal waren, schreef Willem Frederik een paar keer dat zijn vrouw hem had beloofd om in de toekomst van hem te houden.

Op vrijdag 24 oktober 1664 deed Willem Frederik iets onhandigs. Zelf beschreef hij het als volgt: ,,Te weten, dat ick in mijn kamer een pistool willende beproeven, 't welck weijgerde af te gaen, het selve soo haest niet en hadde omgekeert, om te sien waer aen het mocht schorten, of het ging los, en schoot mij recht in de kinne, soo datter al mijn tanden los van zijn geworden, ende niet kan spreecken.'' De kogel was dwars door zijn kin gegaan en er door zijn neus weer uitgekomen. Hij kon alleen nog maar via briefjes communiceren. Toen duidelijk was dat hij zou sterven, schreef hij aan zijn vrouw hoe zij na zijn dood zou moeten leven: ,,Een kleinen en soeten staat, liefste Ambatje, zoude men kunnen houden en op alle middelen gedencken om uijt de schult te komen en voor sijn kinderen te sorgen.''

Voor zijn zoon, Hendrik Casimir, had Willem Frederik geregeld dat hij hem als stadhouder zou opvolgen, maar zijn militaire functies gingen voor de familie verloren. Dat werd ruimschoots goedgemaakt toen tachtig jaar later, in 1747, Willem Frederiks kleinzoon alle titels en bevoegdheden erfde van Willem III van Oranje, die kinderloos stierf. Als overgrootvader van Willem IV kreeg Willem Frederik zo in de stamboom van de Oranjes toch nog een prominente plaats.

Willem Frederik schopte het postuum tot voorvader van de huidige koningin

Onnoozele wurm. Stokebrand. Karakterzwakke intrigant van geringe begaafdheid

    • Daniela Hooghiemstra