Bestek, was, noot

Het is een beetje hotsen en botsen met de AW-rubriek, de laatste tijd. Voor het contact met de achterban vandaag een selectie uit de kritische brieven en e-mails die de laatste zes weken binnen kwamen.

Deze maand was het 85 jaar geleden dat de Lusitania werd getorpedeerd, maar 84 jaar geleden dat de sloep `James Caird' veilig landde op South-Georgia na een reis van twee weken over de open oceaan vanaf Olifantseiland, vlak tegen de zuidpool aan. Poolreiziger Ernest Shackleton hoopte met de tocht redding te vinden voor de rest van de bemanning van zijn gezonken expeditieschip. Die zat nog zeeolifant te eten op Olifantseiland, waar nooit iemand kwam of komen zou.

De AW van vorige week besprak de astronomische navigatie tijdens de tocht door de veelgeprezen stuurman Frank Worsley. Vooral in het begin van de tocht kon hij met zijn sextant maar heel af en toe `een zonnetje schieten', zoals dat heet, en des te meer was hij voor zijn positiebepaling aangewezen op het zogenoemde `gegiste bestek'. Dat laatste wordt bepaald uit de zorgvuldige registratie van koers en snelheid (of liever: afgelegde weg).

Van AW-wege is uitgelegd hoe weinig middelen Worsley in handen had om een gegist bestek te bepalen. Er was geen `log' aan boord waarmee de snelheid kon worden gemeten. Dat blijkt niet alleen uit de opsomming van hulpmiddelen die de Caird wèl meenam, het blijkt ook uit de incidentele verzuchting van Worsley (in zijn dagboek) dat hij niet weet hoeveel vaart de boot maakt.

Maar ook over de koers bestond grote onduidelijkheid. De man aan het roer had geen zicht op het goed opgeborgen kompas en stuurde op wind, golven en deining. Eenmaal per nacht werd een lucifer aangestoken om op het kompas te kijken. Verder zegt Roland Huntford in zijn gezaghebbende biografie `Shackleton' over Worsley: `He did not know how much leeway the James Caird made. For another he could only guess the set of sea and current.' Voeg eraan toe dat de Caird soms nauwelijks meer dan 2 knopen maakte (zodat de invloed van zeestroming navenant groot was) en onaangenaam loefgierig was en een weldenkend mens geeft toe: dat gegist bestek kon niet veel voorstellen.

Toch komt een briesende lezer in Delft (`Uw column zat er verschrikkelijk naast') berichten dat het gegiste bestek minstens zo goed was als het astronomisch bestek. Dat is op zichzelf een raadsel.

Op 8 april werd in een herdenking van de Grote Schoonmaak beschreven hoe wasgoed dat buiten heeft kunnen drogen frisser ruikt dan binnengedroogd goed. Een verklaring ontbrak, volstaan werd met de opmerking dat de geur enigszins ozonachtig leek. Een lezer in Amerongen, die een zeer technische beschouwing aan het fenomeen besteedt, sluit niet uit dat het gewoon ozon ìs dat men ruikt. Hij brengt in herinnering hoe destijds bij de toenemende aandacht voor zomersmog en ozonvorming de rol van de verbinding PAN (peroxy acetyl nitraat) werd ontdekt en dat deze stof in verband werd gebracht met `the smell of clean linen'. Op grond van eigen ervaring (bij TNO) sluit hij niet uit dat vochtig wasgoed uit de buitenlucht voldoende componenten kan opnemen om te komen tot een aanzienlijke radicalenproductie en daarmee tot de vorming van ozon. Ook zouden resten van bestanddelen uit het wasmiddel die rol op zich kunnen nemen. Van AW-wege is er al dankbaarheid voor het feit dat de Ameronger lezer ook zelf (en al eerder) vond dat de frisse geur ozonachtig lijkt.

Op 15 april was er aandacht voor de intrigerende waarneming dat veel kleine voorwerpen die vrij op het wateroppervlak drijven vroeg of laat aan elkaar plakken. Twee notendoppen in een ondiepe poel in de Amsterdamse Horus Botanicus deden het bijzonder overtuigend. Bij nader inzien is het een heel algemeen verschijnsel dat bijna dagelijks valt waar te nemen. Een onderzoeker van Akzo Nobel ondervond hinder van het fenomeen bij het impregneren van glasgaren en deed wat proefjes met een handje cocktailprikkers in een bord water. Binnen de kortste keren zaten ze allemaal aan elkaar vast. Een druppel Dreft voorkwam het `plakken'. Het is een kwestie van adhesie, oppervlaktespanning en de grootte van de `contacthoek' tussen hout en water, bevestigt hij de AW-stelling. Dit onderwerp wordt op de middelbare school niet in kwantitatieve zin behandeld.

Vaste inzender Leeflang te Hilversum bedacht een mooi proefje om de invloed van de contacthoek aan te tonen. Plastic flesjes die half met water zijn gevuld drijven maar tot hun middel in een bak water. In die toestand trekken ze elkaar aan. Vult men ze bijna helemaal, dan drijven ze dieper, tot aan de schouders zogezegd. Dan is de richting van de contacthoek anders en laten ze elkaar ongemoeid.

In de aanloop naar de beschouwing over die notendoppen werd een kleine sneer uitgedeeld in de richting van de Hortus zelf. De oude Oranjerie is nu een café-achtige ruimte, stond er, en de wetenschappelijke collectie heeft plaats gemaakt voor de bloemenpracht waar oudere mevrouwen zo gek op zijn. En nog zowat.

`t Was maar en passant, het was niet zo kwaad bedoeld maar het was toch diep in het verkeerde keelgat van de wetenschappelijk beheerder die in een brief op poten, kort samengevat, bericht dat de wetenschappelijke collectie isverplaatst, maar niet verdwenen. En uitputtend opsomt waaruit die collectie bestaat. Het AW-college waagt zich niet aan een debat over de meer of minder wetenschappelijke kant van een plantenverzameling en wil hier graag onderstrepen dat de tuin er, zeker in deze dagen, onvoorstelbaar mooi bij ligt maar enigszins lijkt te gaan bezwijken onder een teveel aan onderhoud en vooral ook onder de wens om mooi op mooi te stapelen: het onbedwingbaar verlangen om de tuin vol te proppen met die slappe conceptuele kunstuitingen waarmee zoetjesaan heel Nederland dicht slibt. Destijds dat blauwe grind, later de spiegels, nu weer die rare plastic ring tussen het uitbottend gewas.

    • Karel Knip