Zoeken naar onbevlekt christendom

Hoe christelijk was de Middeleeuwse samenleving eigenlijk? Dat is een vraag die katholieken en ex-katholieken maar niet met rust laat. De vraag is voor hen daarom zo dringend, omdat van het antwoord hun plaatsbepaling binnen of juist buiten de huidige katholieke kerk in hoge mate afhangt. Immers, de vorm die de kerk in de negentiende eeuw kreeg en die tot op heden niet wezenlijk is veranderd, werd vooral bepaald door een door de Romantiek beïnvloed beeld van de Middeleeuwen. In die bij uitstek christelijke tijd zou de hele samenleving ten diepste doordrongen zijn geweest van het geloof en zou heel Europa met vreugde gehoorzaamd hebben aan de paus en de priesters. Naar die eeuwen moesten zeker de katholieken, maar liefst ook de rest van de wereld, terugkeren. Voor mediëvisten van katholieke origine is daarom hun geschiedbeoefening altijd tevens het schrijven aan hun autobiografie.

Dat is zeker ook het geval in het fascinerende boek van A.H. Bredero De ontkerstening van de Middeleeuwen. Zowel aan het begin als aan het einde van dit grote werk haalt hij fel uit naar dat katholieke ophemelen van de Middeleeuwen als de tijd van kloosters en kathedralen, van eenheid en gehoorzaamheid. Hij kan het niet anders zien dan als een rechtvaardiging om binnen de kerk iedere beweging die ook maar voorzichtig poogt zich met de moderne wereld te verstaan, meedogenloos te vervolgen. Dit soort waanideeën zijn er, aldus Bredero, verantwoordelijk voor dat de huidige katholieke kerk eruitziet als een pseudo-Middeleeuwse karikatuur die alleen nog maar de lachlust opwekt van de jongere generatie. Hier spreekt niet alleen de historicus, maar ook een vader die het oude geloof niet meer aan zijn kinderen heeft weten over te dragen.

Diepe sporen

Bredero wil een revisionistisch perspectief geven op de geschiedenis van het christendom in de Middeleeuwen. Hij is niet de eerste, Franse historici zijn hem hierin voorgegaan. Juist in Frankrijk de strijd tussen katholicisme en moderniteit met een nergens anders geëvenaarde felheid, die in de geschiedbeoefening diepe sporen heeft achtergelaten. Franse historici van links, in deze eeuw gewoonlijk werkend onder het vaandel van het tijdschrift Annales, hebben alles in het werk gesteld om de rol van christendom en kerk in de geschiedenis van Europa te minimaliseren. Hun methode was het maken van een scherp onderscheid tussen de godsdienst van de elite, zoals die gepreekt werd en dus ook werd opgeschreven, en daaronder de feitelijk beleefde godsdienst van het gewone volk.

Die laatste was zeer moeilijk te achterhalen, want het volk kon niet lezen en schrijven, en heeft dus weinig sporen van zijn geloof nagelaten. Maar met modellen ontleend aan de culturele antropologie, dachten Franse historici een heel eind te kunnen komen met de reconstructie van die verdwenen wereld, die in schriftelijke bronnen hoogstens hier en daar even aan het daglicht trad. De gepreekte godsdienst was natuurlijk het christendom, maar de volksgodsdienst weerstond die prediking en behield, volgens deze Fransen, het karakter van een Indogermaanse heidense godsdienst. Op die manier werd de geschiedenis van Frankrijk en van Europa herschreven als een bloedig verhaal van klerikale dwang enerzijds en de heldhaftige weerstand van het volk anderzijds. Daarmee sloegen de historici twee vliegen in één klap. Europa was eigenlijk helemaal nooit zo christelijk geweest, en wat er wel aan christendom was beklijfd, was het gevolg van manipulatie en machtsmisbruik.

Het was een visie die een storm van kritiek oogstte met name van Engelse en Amerikaanse historici, die veel minder vijandig stonden tegenover het katholicisme. Zij vonden het bespottelijk om te beweren dat de onderlaag van de Europese samenleving nooit gekerstend geweest was. Misschien was hun geloof niet dat van de paus, maar christelijk was het wel degelijk en er was geen enkele reden om aan te nemen dat zij daarmee ongelukkig waren of dat het hun opgedrongen was.

Op het vasteland van Europa was de reactie op het extreme Franse standpunt ambivalenter. Het wetenschappelijk prestige van de Annales-school was veel groter dan in de Angelsaksische landen en bovendien leefde ook bij overtuigd katholieke historici een sterk gevoel van onvrede over de rol van de kerk in heden en verleden. Het resultaat was dat zij de Annalisten deels gelijk gaven: ook zij achtten de Middeleeuwen niet het christelijk tijdperk bij uitstek, maar zij hielden wel vast aan het christelijk karakter van Middeleeuws Europa. Alleen er was veel misgegaan. Veel te vaak hadden de geloofsverkondigers zich aangepast aan de ruwe zeden en gewoonten van de volkeren die zij aan het kerstenen waren. Daardoor raakte de oorspronkelijke zuiverheid van het Evangelie bezoedeld. Ware dat niet gebeurd, zo is de onuitgesproken boodschap, dan zou er een christelijk-humanistische cultuur in Europa gegroeid kunnen zijn, die zowel de Reformatie als de Verlichting overbodig zou hebben gemaakt. Nu het niet zo gegaan is, kunnen katholieken niets anders meer doen dan alsnog hun leven beteren, bijvoorbeeld door hun verleden met andere ogen te bezien en daaruit lessen te trekken voor het heden. Bredero is een representant van deze houding.

Zijn boek wil een speurtocht zijn naar de authentiek-christelijke elementen binnen al datgene wat zich in de Middeleeuwen als christelijk aandiende en in de negentiende eeuw onkritisch overgenomen werd in het traditionele katholieke Middeleeuwenbeeld. Zo maakt Bredero een onderscheid tussen kerstening en bekering. Het eerste was niet meer dan een collectief toedienen van de doop zonder gevolgen voor de levenswandel, het tweede staat bij hem voor de toe-eigening van echt christelijke normen. Collectieve rituelen zijn volgens hem een verkeerde aanpassing aan Germaanse religieuze gewoontes. Immers, echt christelijk geloof resulteert in een echt christelijk leven. Pas met het opkomen van nieuwe religieuze bewegingen in de twaalfde en dertiende eeuw, die de kerk eraan herinnerden waar het ware geloof te vinden was, begon de echte bekering van Europa. De vroege Middeleeuwen blijven voor Bredero een tijd van primitief en vrijwel heidens volksgeloof.

Maar ook in de latere Middeleeuwen blijft er veel onchristelijks. Bredero acht de Inquisitie en de kruistocht tegen de Katharen de bedenkelijkste aanpassing aan een in wezen heidense verheerlijking van geweld en oorlog waartoe de Middeleeuwse kerk zich heeft laten verleiden. Hij noemt de Katharen-kruistocht letterlijk het meest sprekende voorbeeld van `het onchristelijke van de toenmalige christenheid'. Anderzijds probeert Bredero ook te bepalen in hoeverre het Katharisme wel een christelijke stroming was. Zijn conclusie is dat de Katharen geen christenen genoemd kunnen worden, omdat zij geloofden dat het goede en het kwade in de wereld twee gelijkwaardige machten waren die een kosmische strijd voerden tegen elkaar, terwijl echte christenen ervan uitgaan dat de wereld door een goede God geschapen is en dat het kwaad er later door de mens zelf in is geïntroduceerd. Hier wordt het probleem dat Bredero's vraagstelling oproept ten volle zichtbaar. Alle historische bewijsmateriaal toont aan dat de Katharen zichzelf als christenen beschouwden en dat zij ook door hun tijdgenoten als christenen beschouwd werden. Bovendien baseerden de Katharen zich op de Bijbel en speelde de figuur van Christus een rol in hun godsdienstig leven. Tenslotte, als wij naar de geschiedenis van het christendom kijken, kan niet ontkend worden dat daarin het dualisme in een of andere vorm altijd een rol heeft gespeeld. Het lijkt mij niet mogelijk tot een goed begrip te komen van de aard en het succes van het Katharisme, als wij het niet beschouwen als een variant van het christendom.

Excuses

De vraag naar de kwaliteit van het christelijk geloof is door een historicus niet te beantwoorden en kan zelfs leiden tot een verkeerd begrip van het verleden. Karel de Grote was polygaam, Franciscus van Assisi was een enthousiast voorstander van de kruistochten. Zijn deze mannen daarom geen of minder christen? En zou een antwoord op die vraag ons helpen om hen historisch beter te plaatsen? Bredero, en met hem vele andere geëngageerde katholieke historici, vragen teveel van de geschiedenis, als zij daarin op zoek gaan naar een onbevlekt christelijk geloof of een tijdloos, zuiver Evangelie dat losgemaakt zou kunnen worden uit de cultuur waarin het zich genesteld heeft en dat als maatstaf zou kunnen dienen bij de beoordeling van heden en verleden. Een dergelijk zuiver geloof heeft nooit bestaan en zal nooit bestaan. Dat betekent ook dat wij onze voorvaderen er niet voor verantwoordelijk kunnen houden dat zij dat evangelie niet gepreekt hebben, maar zich aan de omstandigheden van hun cultuur hebben aangepast. Daarom heeft het aanbieden van excuses voor wat wij nu als fouten van dat verleden zien, ook zo weinig zin. Je kunt net zo goed excuses aanbieden voor het feit dat je bestaat. Dat de Middeleeuwse samenleving christelijk was, lijkt mij evident, hoe christelijk zij was weet alleen Hij die alle harten doorgrondt.

Adriaan H. Bredero: De ontkerstening van de Middeleeuwen. Een terugblik op de geschiedenis van twaalf eeuwen christendom. Agora/Pelckmans, 540 blz. ƒ79,90

Rooms leven

    • Peter Raedts