Wapenbroeders op de Kapellekensbaan

In het eenentwintigste jaar na zijn overlijden is Louis Paul Boon meer aanwezig dan ooit. Volgende week verschijnt een herdruk van zijn Reinaertbewerking `Wapenbroeders'. Boon sloeg oude vormen aan stukken, maar ook zijn eigen geloof in een betere wereld.

Koningen komen en koninginnen gaan, maar koningskwesties blijven altijd bestaan. België beleefde zijn laatste een halve eeuw geleden, in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Koning Leopold III mocht niet terugkeren op de troon, vonden velen. Anders dan zijn Nederlandse collega was hij niet met zijn regering in ballingschap gegaan. En anders dan zijn Deense collega had hij zijn aanwezigheid niet benut om zijn volk een hart onder de riem te steken. Hij had het met Hitler zelfs op een akkoordje gegooid. Alsof dat niet genoeg was, kreeg het verscheurde België er korte tijd later ook nog een sociale kwestie bij. De demarcatielijn liep echter niet tussen Kapitaal en Arbeid, zoals Marx voorspeld had. De kompels uit de Borinage, altijd al een roerig volkje, vonden dit keer socialistische en communistische ministers tegenover zich.

Straatrumoer! Louis Paul Boon (1912-1979), schrijver-schilder uit de fabrieksstad Aalst, zoon van een huisschilder en kleinzoon van een meubelmaker en een schoenlapper, zag er stof in voor een roman. Tien jaar later, in 1955, lag die in de boekhandel: Wapenbroeders. Volgens de ondertitel `een getrouwe bewerking der aloude boeken over Reinaert en Isengrimus'. In werkelijkheid een vlijmscherpe satire op het naoorlogse Nobelgië en het `rode klooster' der communisten. Helaas voor Boon zaten weinigen in België op dat moment op zijn boek te wachten. De koningskwestie was `opgelost', Leopold III was teruggetreden. De sociale strijd was gedoofd, de kompels waren terug in hun put. Rust in de tent!

Anno 2000 krijgt Wapenbroeders een nieuwe kans. De schrijver-schilder die bij zijn leven eerst verafschuwd werd en later – na het succes van Pieter Daens (1971) – verafgood, is twintig jaar na zijn dood méér aanwezig dan ooit. In het kielzog van het Boonjaar 1999 verschenen de afgelopen maanden diverse herdrukken, wetenschappelijke studies, postume uitgaven en liefhebbersboekjes. Andere zullen de komende maanden volgen. Boon is back.

Als voor zovelen belichaamde de Belgische Kommunistische Partij (KPB) voor Louis Paul Boon de hoop op een nieuwe, betere wereld. En als zovelen was hij zwaar teleurgesteld toen de `partij der gefusilleerden' zich ontpopte als een ordebewaarder in plaats van een ordeverstoorder. Toch besloot Boon, sinds juli 1945 in het bezit van een partijboekje, zijn baan bij het dagblad De Roode Vaan aan te houden. Hij had thuis een vrouw en een zoon. En hij wilde schrijven, voor het volk.

Als redacteur werd hij geacht vooral kunst en letteren te bedienen. Liefst zo positief mogelijk, om de lezers van nieuwe waarden te doordringen. Van meet af aan was echter duidelijk dat hij daar niet de meest geschikte persoon voor was. `Een schrijver (...) zal den weg wijzen die moet gevolgd worden', verordonneerde hij in harmonie met de partij-ideologen. Om er onmiddellijk op te laten volgen: `Niet het succes moet een schrijver nastreven. (...) Hij moet in zijn werk zichzelf geven, volkomen.'

Wat dat niet-succes betreft lag Boon aardig op koers. Zijn eerste twee romans, verschenen tijdens de oorlog, waren op weg naar de ramsj, ondanks de literaire onderscheiding voor zijn debuut, De voorstad groeit. Had hij zich daarin gegeven, `volkomen', conform zijn eigen adagium? Nee, vond hijzelf. Dat kon pas in de boeken die hij nu onder handen had, vooral in De Kapellekensbaan. De buitenwacht kreeg vooralsnog alleen Mijn kleine oorlog onder ogen. Dat werd als kroniek gepubliceerd in een socialistisch weekblad. Schel klinken zijn woorden er op. Met een engagement dat herinnert aan Multatuli en een temperament dat schatplichtig lijkt aan Louis-Ferdinand Céline. Tijdens zijn driemaandse krijgsgevangenschap in Duitsland had Boon diens Voyage au bout de la nuit in één ruk uitgelezen.

In De Roode Vaan gaat kameraad-schrijver Boon er vooralsnog voorzichtig tegenaan. Hij wil niet kwetsen of provoceren, maar uitleggen, onderwijzen. Zijn eigen kunstenaarsroman Abel Gholaerts, naar het leven van Vincent van Gogh, doet daarbij dienst als studiemateriaal. Eindoordeel: `de held was te zwak. De held en dus ook de schrijver. (...) Abel Gholaerts is misschien wat te vroeg gepubliceerd.'

Na een jaartje is Boon zijn werk bij De Roode Vaan zat. Vooral omdat zijn veelvuldige verzoeken om reportages vanaf de werkvloer onbeantwoord blijven. Ook zint het hem niet dat De Roode Vaan en de KPB steeds verder verpolitieken en elk spontaan protest – tegen de koning, tegen de kolenbazen – smoren in regeergeilheid. Het komt hem te staan op een vernederend consult van partijdokter Schotte, die zijn bitterheid diagnostiseert als `een mengsel van egocentrisme en neurastenie (...) met als psychologische klemtoon cyclothymie gepaard gaande met angstpsychose'.

Even overweegt Boon beterschap. Naar goed stalinistisch gebruik belijdt hij in het openbaar schuld, uitmondend in het voornemen om een serieuze recensie te wijden aan de gebundelde legerorders van Stalin, zijn grote held uit de oorlog. Een paar weken later is Boon redacteur af, zogenaamd wegens bezuinigingen. Zijn derde boek, Vergeten straat, rolt van de pers. Een caleidoscopisch verslag van opkomst, bloei en verval van een kleine Brusselse commune, waarin Boon zijn eigen ontgoocheling voorspelt. Koelie, een 18-karaats wereldverbeteraar, ziet al snel in dat `het leven een kwestie is van overwinnen of overwonnen worden (...). Het is de strijd uit het oerwoud, en niet een drang naar rechtvaardigheid.'

Toch zijn de lezers van De Roode Vaan nog niet van Boon af. Onder de kop `Donkere tijd' treffen ze in juli 1946 een eigenzinnige bewerking aan van de proloog van het middeleeuwse Reinaert-verhaal, vol vileine schimpscheuten naar levende personen en actuele gebeurtenissen. Van een vervolg blijven ze echter verstoken. Kameraad Boon heeft de wijk genomen naar het weekblad Front. Naast zijn Reinaert-bewerking publiceert hij daar regelmatig literaire bespiegelingen. Na voorpublicaties in weer andere tijdschriften verschijnt Wapenbroeders in 1955 eindelijk als boek. De weinigen die het aanschaffen, lezen een hilarische parodie op een land waar de `slaphanger van een heerser' koeterwaals praat – kotfertoeme! – terwijl zijn vrouw opgewonden raakt van de fascistische praatjes van een zeer mannelijke stier. Ook het `rode klooster' van bisschop Eenoog, waar de monniken na de zoveelste zuivering struikelend over hun pij de poort uitrennen, wordt met zoete gal getekend.

Ondanks al deze anachronistische strapatsen laat Boon veel van het oorspronkelijke verhaal intact. Reinaert, `die felle met den roden baerde' en Isengrimus, `de tragische, die het gelag en de gebroken potten had te betalen', komen volledig tot hun recht. De lezer schiet ondertussen als een schietspoel heen weer tussen de duistere Middeleeuwen en het lichtparadijs van de moderne tijd. Met als eeuwige moraal `dat in deze tijd zowel als in alle tijden achter de schoonste leuzen alleen bedriegtdeboer hoogtij viert, en de idealen werden uitgevonden om er een stuiver aan te verdienen'.

De getreiterde, gesloopte en gelynchte Isengrimus heeft het op het eind helemaal gehad. Het liefst zou hij wegkruipen onder de warme buik van de rozerode zeug. Een niet onbemiddelde weduwe die haar linkse verleden heeft ingeruild voor goede contacten met kerk en staat. Maar ach en wee! `Pas lag hij neder of de weduwe liet zich, in al de roze gewichtigheid der orde van de zwijnen, neer op hem en drukte hem plat gelijk een vijg'. Isengrimus R.I.P.

Boon zal bij die laatste, verpletterende scène ongetwijfeld aan zijn eigen situatie hebben gedacht. Want hoe graag hij ook Reinaert wil zijn en hoe goed hij zich ook in diens rol kon inleven – in het echte leven lijkt hij toch vooral op de wolf die de klappen krijgt. Driftig zoekt hij de buitenkanten van Aalst af naar een rustig plekje om – met geld van de erfenis van zijn vrouw – zijn eigen `reservaat' te kunnen stichten, ver weg van al het straatrumoer. In `de laatste hoeck' van het voorstadje Erembodegem vindt hij die wijkplaats tenslotte. `Huize Isengrimus' wordt voor de rest van zijn leven zijn onderduikadres.

In de kolommen van het rozerode dagblad Vooruit heeft Boon zijn lezers en zichzelf inmiddels bekend dat hij zijn literaire rolmodellen steeds vaker zoekt in `dezen die de gevestigde vorm stukslaan, die experimenteel zijn, die de wereld van de kunst ondersteboven keren, (...) asociaal zijn'. Het klinkt als het programma dat in Mijn kleine oorlog is uitgevoerd. Alleen aan dat `a-sociale' heeft Boon nog niet durven toegeven, getuige de felle oproep aan het slot: `SCHOP DE MENSCHEN TOT ZIJ EEN GEWETEN KRIJGEN'. Die laatste, beslissende stap zet hij in De Kapellekensbaan, waarvan rond deze tijd het manuscript gereedkomt. Niet alleen oude vormen worden er aan stukken geslagen. Ook Boons hardnekkige geloof in een andere wereld en in betere mensen gaat er aan diggelen.

Mijn kleine oorlog was nog verschenen in België. Bij Manteau, dezelfde uitgever die op de drempel van de 21ste eeuw een bloemlezing uit Boons recensies op de markt bracht, Het recht van vervormen. Ze zijn afkomstig uit De Roode Vaan, Front, Vooruit, De Vlaamse Gids en Hollands Diep (1975-1976).

Het is voor uitgeverij Manteau te hopen dat van Het recht van vervormen meer exemplaren verkocht worden dan destijds van Mijn kleine oorlog: vijftig exemplaren in drie jaar tijd. Mede daarom laat Boon zich in 1950 de belangstelling van de Nederlandse Arbeiderspers welgevallen. Het betekent zijn intrede in het rozerode klooster van boven de Moerdijk. De AP maakte immers, samen met Het Vrije Volk, de Vara, de PvdA en het NVV, deel uit van de hechte rozerode zuil. Wat het voordeel had dat boeken die in de zogeheten Arbo-reeks werden opgenomen, dankzij een laagdrempelig abonneesysteem konden rekenen op een gegarandeerde afzet van tien- tot vijftigduizend exemplaren.

De bende van Jan de Lichte (1953), een roman die eerst als feuilleton verscheen, valt deze eer te beurt. Het is, net als Wapenbroeders, een zeer vrije bewerking. Dit keer van een avonturenroman over een achttiende-eeuwse struikrover. Anders dan in Wapenbroeders ontbreken de verwijzingen naar de actualiteit. Desalniettemin, of juist daardoor, tekenen de rozerode zwijntjes driftig op het boek in.

Wapenbroeders blijft buiten de Arbo-reeks. In de andere zuilen die de Nederlandse consensusdemocratie destijds schraagden, was de belangstelling minimaal. Pas in 1968 kon een tweede druk opgelegd worden, de derde druk van 1977 bleef tot dit jaar de laatste, omnibussen niet meegerekend. De geringe en zuinige kritieken waren daar zeker debet aan. In het Algemeen Handelsblad heette Boon `luidruchtig, eenzaam en eenzelvig'. In Het Parool had men liever dat `het hoofd van een intelligent auteur' zich over de Reinaert had ontfermd in plaats van `de volkse muts van een Boon'. Neerlandicus en hoogleraar W.Gs. Hellinga, was het daar volstrekt niet mee eens. Boon heeft de essentie van het middeleeuwse verhaal uitstekend begrepen, hield hij zijn studenten voor.

De abt van de Nederlandse Arbeiderspers, uitgever Reinold Kuipers, besloot ondertussen De Kapellekensbaan niet op te nemen in de Arbo-reeks. En daar was wat voor te zeggen. Zelfs het geletterde deel van de Nederlandse natie keek vreemd op van deze labyrintische mastodont. De kern ervan, cursief gedrukt, bestaat uit een vrij traditioneel verhaal over de brutale en kittige Ondineke Bosmans die haar vlechtjes, haar borstjes, haar alles in de strijd werpt om te ontsnappen uit het grauwe bestaan in `de stad van de 2 fabrieken waar het altijd regent, zelfs als de zonne schijnt'. Op de hoogste tree van haar stairway to heaven bereikt ze een groezelige zolderkamer waar het achter het crucifix krioelt van de luizen. Moraal: geen.

Maar dan de rest van De Kapellekensbaan! Een ogenschijnlijke wirwar van verhalen, berichten en beschouwingen waarmee een hechte vriendenclub van voormalige idealisten luidruchtig commentaar levert op de ontwikkeling van/in het kernverhaal – en op elkaar. Mits ze niet afgeleid worden door het meisje met de dikke billen dat regelmatig met haar kermiswagen neerstrijkt in de stad. En of het allemaal niet verwarrend genoeg is – het lijkt het leven zelf wel! – trekken Reinaert, Isengrimus, koning Nobel, de rozerode zeug en andere wapenbroeders in een bonte stoet over de pagina's.

Hoe ongewoon en ingewikkeld ook, De Kapellekensbaan valt wél op. Zelfs in Duitsland, waar in 1970 een succesvolle vertaling verschijnt. Boon bereikt er de voorrondes van het wereldkampioenschap literatuur mee: hij wordt kandidaat voor de Nobelprijs. Alleen al het idee dat hij de hoofdprijs kan winnen, maakt de kleine man uit Aalst (1.65 m) bloednerveus. Hij wil de Zweedse wapenkoning graag vergeven dat hij het dynamiet heeft uitgevonden, `maar voor de Nobelprijs zou hij de gevangenis moeten ingaan'.

In Nederland kwam met het verschijnen van De Kapellekensbaan een stroom publicaties op gang, die nog altijd aanhoudt. De jongste aanwinst is Moderniseren en conformeren, het bewerkte proefschrift van de Nijmeegse Boonkenner Jos Muyres. Nauwgezet maar wanhopig pluist hij na wanneer, waar en in welke vorm De Kapellekensbaan, inclusief het Reinaertverhaal, voorgepubliceerd is. Ook stelt hij de vraag wat er eerder was, de kip of het ei, het manuscript of de voorpublicaties. Antwoord: `Zoals zo vaak ligt de waarheid in het midden.' Kukeleku!

Muyres' centrale stelling luidt dat het Ondineke-verhaal niet de kern vormt van De Kapellekensbaan, zoals in het boek zélf gesuggereerd wordt. Het is slechts één van de vele `binnenverhalen'. De driftig delibererende vrienden vormen de ware helden. 't Is maar waar je van houdt... Bovendien is deze lezing van De Kapellekensbaan behoorlijk belegen. 25 Jaar geleden werd ze al toegepast door prof.dr. Paul de Wispelaere. Het mysterie van het kroonjuweel van de Vlaamse letteren is er ondertussen geen sikkepit mee ontrafeld. Hoe slaagde Boon er in om in De Kapellekensbaan en het vervolg, Zomer te Ter-Muren (1956), de lezer telkens weer bij zijn lurven te grijpen en mee te sleuren van 't jaar 1800-en-zoveel naar de dag van vandaag, waarin het al wéér regent? Omdat hij schreef `met hart en ziel en geest en alle andere geslachtsdelen', zoals hij van anderen eist? Op deze vraag blijft Muyres het antwoord schuldig. Liever turft hij verder.

De Boonkunde wordt sinds 1985 ook bedreven aan het Antwerpse L.P. Boon documentatiecentrum. Aangestuurd door de voortvarende professor Kris Humbeeck, wiens langverwachte Boonbiografie dit najaar moet verschijnen, rollen met grote regelmaat publicaties van de persen. Ook coördineert het centrum de wetenschappelijke uitgave van Boons belangrijkste werken. De twee boeken over de Kapellekensbaan liggen er al. Boons debuut De voorstad groeit en Mijn kleine oorlog zullen dit jaar volgen. De Boon-bibliografie van de Amsterdamse onderzoeker Jan van Hattem zal eveneens dit jaar verschijnen (1600 pagina's).

De meest recente publicatie is Het boek Jezebel, samengesteld uit een drietal series cursiefjes die Boon in de jaren zestig publiceerde in de Vooruit.

Alle drie brengen ze, met kleine verschuivingen, de zogeheten Profumo-affaire in kaart, die het stijve Engeland van vóór de swinging sixties deed schudden als een plumpudding. En dat alles omdat callgirl Christine Keeler met haar lage, fluisterende stem, donkerrosse haren, roomblanke huid en ideale maten (37-24-36) ministers, Russische spionnen en onderwereldfiguren het hoofd op hol bracht – zonder de passende discretie te betrachten.

Boon heeft er duidelijk schik in, maar nergens komt Het boek Jezebel van de grond. Van wisselende en kantelende perspectieven, zoals in De Kapellekensbaan, is geen sprake. Van woeste bokkensprongen tussen heden en verleden, fantasie en werkelijkheid, boertigheid en sadisme, zoals in Wapenbroeders, evenmin. Het werkwoord `intercoursen' verdient opname in de Van Dale. Maar voor de rest blijft het kijken in een keuken waar de kok z'n dag niet heeft.

De echte Boon-liefhebber kan beter uitzien naar de aangekondigde werkuitgaven. Of op zoek gaan naar de enige tijd geleden gepubliceerde kleinodiën Een schoon evenwicht en Gevaarlijke hond. Het eerste brengt cursiefjes, handschriften, tekeningen en schilderijen bijeen. In het tweede brengt Willie Verhegghe, een goede kennis van Boon, een poëtische hommage aan de oude vos. Op 10 mei 1979, 67 jaar oud, de leeftijd van Céline, blaast hij in Huize Isengrimus zijn laatste, stinkende adem uit. De volgende dag kan hij niet verschijnen op de Zweedse ambassade in Brussel. Gelukkig maar. Voor hem.

Louis Paul Boon: Wapenbroeders. Een getrouwe bewerking der aloude boeken over Reinaert en Isengrimus. Arbeiderspers, 236 blz. ƒ25,– (verschijnt op 26 mei)

Louis Paul Boon: Het recht van vervormen. Samengesteld door Ernst Bruinsma en Kris Humbeeck. Manteau, 383 blz. ƒ44,50

Louis Paul Boon: Het boek Jezebel. Bezorgd door Johan Dierinck en Britt Kennis. Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 238 blz. ƒ38,25

Louis Paul Boon: Een schoon evenwicht. Samengesteld door Nico Keuning.

Reservaat, 72 blz. ƒ32,50

Willy Verhegghe: Gevaarlijke hond. Een poëtische hommage aan Louis Paul Boon. Met foto's van Jo Boon. Poëziecentrum Gent (tel. 0032.9.225.22.25) 54 blz. ƒ32,05

Jos Muyres: Moderniseren en conformeren. Biografie van een tweeluik: De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren van Louis Paul Boon.

Vantilt, 303 blz. ƒ39,90