Schimmige schilder

Hoewel hij een van de begaafdste en beroemdste kunstenaars van zijn tijd was, is over het leven van de zestiende-eeuwse schilder Antonius Mor van Dashorst weinig bekend. Daarvan getuigt al in 1604 Karel van Mander, die maar een paar bladzijden van zijn Schilderboek wijdt aan Mor en zich erover beklaagt dat hij zo weinig medewerking kreeg van diens erfgenamen. Zeker is – op grond van Van Manders karige mededelingen en van documenten die sindsdien zijn opgedoken – dat Mor omstreeks 1517 is geboren in Utrecht als zoon van een stoffenverver, en dat hij daar in de leer ging bij, en later ook samenwerkte met, de befaamde meester Jan van Scorel. Mor lijkt het grootste deel van zijn carrière buiten zijn geboortestad te hebben doorgebracht. Hij werkte in Italië, stond in 1547 ingeschreven bij het schildersgilde van Antwerpen en kwam via zijn broodheer bisschop Antoine Perrenot de Granvelle in contact met het Habsburgse huis. In opdracht van Karel V en diens zoon Filips II werkte hij in Spanje en Portugal aan portretten van leden van het keizerlijk huis, en in 1555 reisde hij naar Engeland om de beeltenis te schilderen van `Bloody' Mary Tudor, Filips' bruid.

Eén mogelijkheid om, met niet veel meer dan zulke summiere biografische gegevens voorhanden, een monografie over een kunstenaar te schrijven, is diens oeuvre als uitgangspunt te kiezen. Aan de hand van stilistisch onderzoek, inhoudelijke interpretatie en plaatsing van de werken in de context van zijn tijd, kan veel gezegd worden over tenminste de artistieke persoonlijkheid van een schilder. Maar, hoewel de laatste gepubliceerde proeve van een dergelijke benadering in het geval van Mor al van meer dan vijftig jaar geleden dateert (L.C.J. Frerichs' Antonio Moro uit 1947) en er dus voor een kunstenaar van zijn kaliber dus dringend behoefte aan bestaat, heeft Thera Coppens in haar boek over de schilder deze weg niet bewandeld.

Over de schilderijen die ze aanhaalt zegt Coppens weinig. Toeschrijvingen onderbouwt ze niet verder dan bijvoorbeeld de opmerking dat ze `overeenkomstig de werkwijze van Mor' zijn, of `onmiskenbaar' scheppingen van zijn hand. Maar waarom dat dan zo is blijft onduidelijk. In één geval wordt een verdergaande interpretatie van een voorstelling gegeven. In een memorietafel met de Verrezen Christus en de apostelen Petrus en Paulus, herkent Coppens in een van de apostelen een zelfportret van de schilder. Erg waarschijnlijk is die identificatie niet en de bewijsvoering (gebaseerd op een eigentijdse beschrijving waarin de abt van het klooster waarvoor het werk bestemd was, schrijft `[...] ad sinistrum latus imaginem vidimus nostri') overtuigt evenmin.

De veronderstelling dat de beeltenis van de schilder in het werk aanwezig is, is typerend voor dit boek. Zo schimmig als de historische Mor voor ons mag zijn, zo nadrukkelijk maakt Coppens hem tot alomtegenwoordige hoofdpersoon in breed uitwaaierende beschouwingen over de politieke, sociale en artistieke situatie van zijn tijd. Antonius Mor wordt bijna een romanfiguur waar Coppens hem als getuige opvoert en ons daarbij ook inlicht over zijn reacties, die dan zijn gemodelleerd op die van anderen. Toen Mor bijvoorbeeld in Augsburg arriveerde, `werd hij getroffen door de vrolijke stemming aan het hof, die heel anders was dan in Brussel'. Maar wie daardoor werkelijk getroffen was, was de Duitse edelman uit wiens beschrijving van het Augsburgse hofleven vervolgens wordt geciteerd. Soms worden gebeurtenissen waaraan de kunstenaar part noch deel had, toch met zijn persoon verbonden. Zo speelde de opvolgingskwestie van een Utrechtse bisschop `kort voor Mor ter wereld kwam'.

Antonius Mor is daardoor niet alleen de hoofdpersoon, maar fungeert vooral ook als aanleiding voor uitweidingen over van alles wat mogelijkerwijs in zijn omgeving heeft kunnen plaatsvinden. Lezenswaardig en onderhoudend zijn de beschrijvingen van de opleiding van jonge schilders, atelierpraktijken in de zestiende eeuw en het Habsburgse hofleven in de Nederlanden, Spanje en Engeland. Mor wordt daardoor een mens van vlees en bloed, maar noch zijn historische identiteit, noch zijn kunstenaarschap worden er helderder door. De grens tussen feiten en verdichting vervaagt, en dat blijkt al uit de titel van het boek. Hoewel Mor opdrachten voor de keizer heeft vervuld, is hij – voor zover bekend – nooit een officiële hofschilder van Karel V geweest. Hofschilder werd hij pas tegen het einde van de periode die dit boek beslaat, in 1554. En zijn jaargeld ontving hij toen niet van Karel, maar van Filips II.

Thera Coppens: Antonius Mor; hofschilder van Karel V. De Prom. 271 blz. ƒ49,90

Rooms leven

    • Bram de Klerck