Pionnen in een historisch drama

Toen op 1 november 1876 het Noordzeekanaal feestelijk in gebruik werd genomen in aanwezigheid van Koning Willem III en andere hoogwaardigheidsbekleders, zijn er ongetwijfeld prachtige lofredes gehouden op de technische vooruitgang die de `doorgraving van Holland op zijn smalst' mogelijk had gemaakt. Amsterdam had zijn felbegeerde verbinding met de Noordzee te danken aan de duizenden paupers die van heinde en verre naar het Noord-Hollandse duingebied waren getrokken om daar met schop en spade het eigenlijke handwerk te verrichten, maar voor die noeste arbeid had noch de koning, noch iemand anders oog. Dat is althans het vermoeden van Conny Braam (1948), die over de aanleg van het Noordzeekanaal de historische roman De woede van Abraham schreef.

Typerend voor het perspectief van waaruit zij deze episode uit de Nederlandse geschiedenis benadert, is het commentaar dat ze de journalist Ezekiel Boerhaave, redacteur van de Opregte Haarlemsche Courant, in de mond legt tijdens de opening van het kanaal. Als de gemeentesecretaris van Velsen, die in het geheim de kant van het lompenproletariaat heeft gekozen, hem vraagt of hij zich heeft geërgerd aan het feit dat er in de toespraken geen aandacht was voor de kanaalwerkers, antwoordt Boerhaave bitter dat hij niet anders had verwacht. `Onder de elite', zegt hij, `is het geen usance om het werkvolk enige erkenning te geven, niet in geld en niet in eer. Nergens ter wereld trouwens. Meer dan twintigduizend dwangarbeiders hebben dwars door de woestijn het Suezkanaal gegraven. Duizenden hebben er het leven gelaten. Was dat van enig belang? Welnee, men herinnert zich alleen dat bij de opening de Franse keizerin Eugenie de première van Verdi's opera Aïda heeft opgeluisterd.'

Met dergelijke uitspraken, in wezen nogal stijfjes geformuleerde politieke commentaren, al dan niet ontleend aan Multatuli, de held van de journalist Boerhaave, is de roman doorspekt. In deze aanpak komt het sociale engagement tot uiting van de voormalige activiste Conny Braam, gedurende 25 jaar voorzitster van de Anti Apartheidsbeweging Nederland. Ook in haar romans wil ze laten zien aan welke kant ze staat. Weliswaar is De woede van Abraham het eerste van de vijf boeken die Braam inmiddels op haar naam heeft staan dat niet over Zuid-Afrika gaat, maar ook in dit Hollandse verhaal spreekt haar persoonlijke betrokkenheid uit vrijwel iedere alinea.

Voorvader

De figuur van de titelheld, de uit uit het tsaristische Rusland gevluchte lijfeigene Nicolas Abraham, lijkt zoals de auteur in een interview vertelde in de verte op een van haar eigen voorvaderen, die anderhalve eeuw geleden op een boerderijtje in het duingebied bij Velsen, de Breesaap, woonde. Op de verhalen van die voorvader, wiens bedrijf moest worden opgeofferd aan het Noordzeekanaal en – zo neem ik aan – op eigen historisch onderzoek, heeft Braam haar dramatische verslag van de knechting van de kanaalgravers geënt.

Ze begint haar verhaal op 1 november 1864, twee jaar nadat de Staten-Generaal op voorstel van Thorbecke besloten tot de aanleg van een kanaal tussen Amsterdam en het huidige IJmuiden, waarvoor tot die tijd de technische mogelijkheden hadden ontbroken. Abraham is pachtboer in de Breesaap waar hij schapen en koeien houdt en tevens jachtopziener en strandjutter is. Hij leeft er met zijn Russische vrouw Julia en zijn zeventienjarige dochter Lena als god in Frankrijk. Totdat, op die eerste november 1864, een indringer in de persoon van Ezekiel Boerhaave `zijn' gebied betreedt.

Na een enigszins moeizame kennismaking neemt Abraham de twintigjarige, zich als revolutionair presenterende, journalist mee naar huis om daar van hem te vernemen dat er op zeer korte termijn met het graven van het kanaal zal worden begonnen. Nicolas Abraham gelooft hem niet, wil hem niet geloven, maar bij dochter Lena vindt de opstandige Multatuliaan een willig oor. Van Ezekiel Boerlaage – en diens subversieve lectuur – leert zij dat het kanaal slechts de belangen van de hoge heren zal dienen, terwijl de `gewone man' die het werk moet doen er geen donder mee zal opschieten. Die mening lijkt al snel te worden bevestigd als vanaf het voorjaar van 1865 duizenden paupers het duingebied binnenstromen, gelokt door werk, maar zonder dat er ook maar de geringste voorziening voor de kanaalarbeiders en hun gezinnen is getroffen.

Of de erbarmelijke omstandigheden waaronder de uit alle windstreken in de Breesaap neergestreken gravers moesten leven door Connie Braam historisch juist zijn weergegeven, kan ik niet zeggen. Haar precieze beschrijvingen van de hutten en holen waarin het gros van de niets-bezittende sloebers zich huisvestte, van de cholera-epidemie, de relletjes, werkonderbrekingen en opstanden, doen vermoeden dat ze behalve de door haar familie overgeleverde verhalen ook andere bronnen heeft geraadpleegd, maar helaas vermeldt ze die niet.

Samen met Lena doet Ezekiel Boerhaave onderzoek onder het graversvolk om – alweer in navolging van Multatuli – inzicht te krijgen in de leef- en arbeidssituatie van deze mensen, maar ik betwijfel of zo'n `enquête, al dan niet in opdracht van de krant, ook in werkelijkheid heeft plaatsgehad. Niet voor niets suggereert Braam dat de Opregte Haarlemsche Courant onder leiding van de bekende drukkersfamilie Enschedé niet zo oprecht was als de titel suggereert. Hoewel de kritische essayist Conrad Busken Huet, die van 1862 tot 1868 redacteur was van deze krant, in het boek Boerhaave's directe chef is, wordt uit de verslagen over de leef- en werkomstandigheden van de kanaalarbeiders ieder woord ten nadele van machthebbers en notabelen geschrapt. De jonge journalist komt hierdoor in gewetensnood, buigt ten slotte voor het gezag omwille van zijn baan, maar sluit zich uiteindelijk toch aan bij Nicolas en Julia Abraham en hun mooie, felle dochter Lena. Zij hebben zich, na te zijn verdreven uit hun boerderij, tussen de kanaalwerkers gevestigd, waar ze de rechteloze stakkers leiding geven door zo goed en zo kwaad als het gaat een geestelijke voortrekkersrol te vervullen.

Rosenboom

Het is vrijwel onvermijdelijk De woede van Abraham te vergelijken met Publieke werken, de imposante historische roman van Thomas Rosenboom, die chronologisch gezien aansluit op het door Conny Braam beschreven tijdvak. De aanleg van het Noordzeekanaal genereerde Amsterdams nieuwe welvaart, waarvan de bouw van het Centraal Station en het daartegenover gelegen Victoriahotel (onderwerp van Rosenbooms boek) het gevolg waren. Bovendien schildert Rosenboom in schrille, realistische tinten de veengraverskolonie van Hoogeveen, vergelijkbaar met die van de gravers in de Noord-Hollandse duinen, waarmee zijn hoofdpersonen op hun manier compassie hebben.

Evenals Conny Braam maakt Rosenboom gebruik van historische gebeurtenissen aan de hand waarvan hij een fictief verhaal vertelt. Maar het zou onrechtvaardig zijn de vergelijking verder te voeren. Rosenboom is een al volleerde romankunstenaar die puur door stijl, taal en beschrijvingskunst de tijdsbarrière weet te slechten en een volkomen authentieke sfeer schept waar levensechte mensen uit opduiken. Ook Braam geeft bij vlagen sfeervolle en aansprekende beschrijvingen, bijvoorbeeld van het woeste duinlandschap en zijn tijdelijke bewoners, maar zij heeft nog niet het beeldende vermogen om onvergetelijke sferen en karakters op te roepen. Ondanks een oprecht en indringend realisme slaagt zij er niet in het verleden door aansprekende details of (historisch) inlevingsvermogen overtuigend te evoceren.

Misschien is het kwalitatieve verschil tussen De woede van Abraham en Publieke werken ook wel te verklaren uit een genreverschil. Conny Braam heeft uitdrukkelijk geen psychologische roman geschreven, geen verhaal waarin kennis van het verleden gepaard gaat aan een diep inzicht in de menselijke ziel. Ze gebruikt haar personages naar mijn smaak nog te veel als pionnen in een door haar geregisseerd historisch drama, dat om die reden de beklemming van Publieke werken mist.

Daarmee is De woede van Abraham allerminst een mislukt boek. Het is voor liefhebbers van historische fictie een aantrekkelijke roman, die een sociaal tijdsbeeld oproept, met hier en daar trekken van wat in de tijd waarin het speelt een `tendensroman' heette. Mij zou het niet verbazen als dit ook Braams opzet is geweest: de werkelijkheid, om met Zola te spreken, beschrijven als een aanklacht. Wat haar Haarlemse journalist niet voor elkaar kreeg, het prediken van ontevredenheid, heeft zij alsnog in zijn plaats gedaan.

Conny Braam: De woede van Abraham. Meulenhoff, 303 blz. ƒ42,95

Nederlandse literatuur

    • Elsbeth Etty