Op weg naar niemendal

Ik las een tijdje geleden een strip, of een cartoon, of hoe noem je zo'n ding, van Jaap Vegter. Acht plaatjes, met tekst, op een pagina, achterin Vrij Nederland. Op het eerste plaatje zagen we een oudere man zich op de barkruk hijsen en vragen om `ne klee pipske'. Wat het is weet ik niet, maar de barvrouw, een moeke in bloemetjesjurk, wel. Zij reikte al naar de fles en schonk in. Bij het raam zat een andere man. Hij las de krant, wierp een blik op straat en zei, tegen niemand in het bijzonder: `'t blip moa kleffen ...' Ook dat zal wel Limburgs zijn, of Brabants, of Vlaams, of Namaakzuidnederlands, maar de bedoeling was duidelijk: we waren ergens in het zuiden, in een café, en het bleef buiten maar regenen.

Moeke slofte weer naar achteren. De beide mannen praatten wat, over de familie en het laatste dorpsnieuws, in hetzelfde zuidkoeterwaalse taaltje (`moa Hidde het sie gsjoft fekaut hedde herd?'). Intussen zagen we een vrouw binnen komen met een baby in een wandelwagentje. Moeke kwam weer terug en boog zich nu in haar rol van vertederde grootmoeder (`oesepoese sjiepe sjepe toepeto') over de kleine. De eerste man liet zich van zijn kruk glijden en begaf zich zo te zien naar het toilet, terwijl de tweede man nog maar weer eens naar buiten keek en nog maar weer eens opmerkte, opnieuw tegen niemand in het bijzonder: ``t blip moa kleffen ...' Grootmoeder en moeder bleven gebogen over de kleine die, voorzover het uit de conversatie viel af te leiden, aan een verschoning toe leek te zijn, en ze bleven dat tot het einde doen, toen de eerste man links weer in beeld verscheen en wat in zichzelf mompelde (`dree drupkes ... sode') en de tweede man zich rechts weer over zijn krant boog.

En dat was het dan. Een mooie cartoon, zeker. Goed getekend ook. Sterke lijnvoering. Maar er was toch een klein probleem. Aan het eind van een cartoonstrip hoort er vanzelf een lach te ontstaan, of dan toch minstens een gniffel, of – vaak bij Vegter – een meewarige schrijngrijns. Maar wat viel hier eigenlijk te lachen? Vooralsnog niets. Met als gevolg: het altijd weer vreemde verschijnsel van de niet ingeloste verwachting. Alles was er op ingericht om daar, rechtsonder, bij het bereiken van het achtste en laatste plaatje, in de lach te schieten. De mond stond al in de glimstand. De rug hing al wat achterover om het middenrif straks vrij baan te geven. Maar de clou kwam niet.

Was dit, eerste mogelijkheid, misschien dan een doordenker? Maar ook na enige herlezing diende zich niet alsnog een daverende clou aan. Richtte de spot van Vegter zich misschien op het gedoe in zo'n buurtcafé, het altijd maar doorgaande geneuzel over en weer? Toch sprak er tegelijk ook liefde uit dit portret van een eenvoudige ochtend in een eenvoudig café. Wilde Vegter het plasprobleem van oudere mannen (`dree drupkes ... sode ...') ironiseren? En dit dan eventueel in contrast met het routineus innemen van kleeë pipskes? Of moesten wij de mooie tegenstelling zien tussen de dree drupkes binnen en het gestage kleffen buiten? Of de tegenstelling tussen de moeizaam druppelende man en de onbekommerd luiers volzeikende baby? Of vormde misschien deze thematische verbinding (pipskes drinken, kleffen, drupkes, luiers) de eigenlijke clou?

Erg overtuigend was het allemaal niet, dit veel te serieuze gezoek naar mogelijke humor. Zodat ik bleef zitten met een vreemd, nieuw, nog niet goed te benoemen, onwennig tussengevoel. Een langgerekte en geleidelijk weggezakte aarzellach, waarvoor nog niets anders in de plaats was gekomen. Een gevoel van gemis, maar zonder werkelijk iets kwijt te zijn. Een gevoel van desoriëntatie, maar zonder vervelende gevolgen – en zelfs wel met een prettig effect: bevrijding van de lachdwang, uitbreiding van de mogelijkheden. Nu het niet meer om de lachknal aan het eind ging, werd elk van de acht plaatjes opeens even belangrijk en interessant. Zelden zo aandachtig een strip gelezen.

De moploze cartoon van Vegter is wel enigszins te vergelijken met de oplossingsloze raadsel-gedichten van de Duitse dichter Robert Gernhardt. Daarin geeft iemand aan iemand anders een raadsel op. Bijvoorbeeld zo: het is een boom, hij is altijd groen, `s winters branden er soms kaarsjes in, hij groeit in West-Europa in de bossen, maar niet op de savanne; hoe heet de boom? De ander zegt dan: `Marianne?' Of: het begint met een `G', het eindigt op `las' en je kunt eruit drinken; wat is dat? En de ander antwoordt: `Een augurk?' Ook hier staat de lezer even met lege handen. Om echte raadsels gaat het blijkbaar niet, en ook niet echt om humor, en ondanks het rijm ook niet echt om een gedicht, maar om een raar nieuw tussengenre: het totale onbegripvers, met opnieuw even de totale vrijheid als bijproduct.

Het volgende gedicht heet `Zin'. Het is van Jan Emmens uit zijn eerste bundel Kunst- en Vliegwerk (1957). Het lijkt wel een illustratie bij Jaap Vegters strip. Zelfde locatie, zelfde sfeer, zelfde clouloosheid:

Zin om in dorpen zittend te vergaan,

beroemd als een onheuglijk rentenier

die nooit een mening heeft, maar on-

gevraagd

er veel verkondigt. Kijken naar de

bomen

een zomerochtend in een klein café,

`'t Wordt nog mooi weer', `Nou `t ziet er

wel naar uit'.

Een kind passeert op weg naar niemen-

dal.

Een heer met kromme pijp komt binnen

en zegt `môge'.

Emmens lijkt het ideaal te beschrijven van de kleurloze anonimiteit, rustig ergens in de dorpen, zonder geldzorgen en zonder commotie. `Zin', `beroemd', `rentenier', `zomer', `mooi weer': aanleiding genoeg om van een ideaal te spreken. Maar evengoed kan het gedicht gelezen worden als een portret van de zinledigheid van zo'n bestaan. Ernst of ironie? Net als bij Vegter is het niet goed te zeggen. En net als bij Vegter is er de neiging om dan maar naar een verborgen zin op zoek te gaan. Wie is die rentenier? Wat is de symboolwaarde van het passerende kind, `op weg naar niemendal'? Welk mythologisch type vertegenwoordigt de heer met kromme pijp? Is er een gecodeerde boodschap opgenomen in zijn alledaagse groet `môge'?

En pas als al die duidingsmechanismen op de tekst zijn losgelaten en vergeefs zijn gebleken daagt het besef dat er net als bij Vegter vermoedelijk niet zo heel veel meer staat dan er staat. En dat geeft, temidden van zoveel voorgeprogrammeerde humor en bewust betekenisvolle poëzie, even een zeldzaam gevoel van vrijheid. Geen clou, geen diepere zin. Geen geluk, geen leegte. Een heer met een kromme pijp hier, een klee pipske daar. `t Wordt nog mooi weer, daar ziet het wel naar uit. Of het blip moa kleffen.

Jan Emmens: Kunst- en Vliegwerk. Van Oorschot (1957), 33 blz. ƒ14,90

Nederlandse literatuur