Nog altijd de Koude Oorlog

Ook na de val van de Muur gaat in Frankrijk de discussie over liberalisme en socialisme door. Jean-François Revel ziet overal de hand van het marxisme, Jean-Marie Guéhenno vreest juist het liberale triomfalisme.

Is de Koude Oorlog afgelopen? Slechts voor de helft, vindt Jean-François Revel. Deze oude rot uit de anticommunistische school verdedigt in zijn nieuwe boek La Grande Parade de stelling dat de val van de Berlijnse Muur alleen het slot betekende van de politieke machtsstrijd met het Sovjet-systeem. Een aantal opvattingen uit het marxistische denken is daarna blijven hangen en wint volgens hem zelfs weer aan invloed. Nostalgie naar een periode waarin Revel bekendheid kreeg door met zijn La tentation totalitaire (1976) de wortels van het links-radicalisme bloot te leggen? Hij neemt in zijn nieuwe boek meer dan driehonderd bladzijden de ruimte om deze suggestie te weerleggen – niet altijd met succes.

Toen het Sovjet-imperium tien jaar geleden verkruimelde, was ook de ideologische `bovenbouw' van het `reëel bestaande socialisme' rijp voor de vuilnishoop. Volgens een breed gedeelde overtuiging waren het failliet van ideaal en realiteit onlosmakelijk met elkaar verbonden. Overal waar het marxistische Sovjet-ideaal aan de macht was gekomen, van Oost-Europa tot Cuba en van China tot Ethiopië, had het dezelfde combinatie van onderdrukking, achterlijkheid en leugenachtigheid opgeleverd. Het liberalisme koesterde zijn beslissende overwinning: na het nationaal-socialisme was ook het communisme verpulverd. Zonder concurrent bleef het over en `het einde van de geschiedenis' leek aangebroken.

Dit slotakkoord werd voorafgegaan door een opmars van de politieke en economische vrijheid, in het Oosten getolereerd door Gorbatsjov en in het Westen gepropageerd door Reagan en Thatcher. De macht van de staat werd afgebroken om de sluizen van de markt open te zetten. Verwacht mocht worden, schrijft Revel, dat deze ontwikkeling door het einde van de Koude Oorlog nog een extra stimulans zou krijgen. De opening van de internationale markten en de wijkende rol van de staat lijken in de jaren negentig inderdaad in die richting te wijzen. Maar volgens Revel heeft deze politiek-economische praktijk de afgelopen vijf jaar in de opinievorming geleid tot een intellectuele opstand tegen het liberalisme.

Laboratorium

Vooral in zijn eigen land, volgens hem vanouds een laboratorium voor denkbeelden die op grote afstand van de werkelijkheid staan, is in de loop van de jaren negentig een grote parade zichtbaar van marxistische overblijfselen. Boeken met titels als La dictature libérale en L'horreur capitaliste staan hoog op de bestsellerslijsten. In politiek en media is er veel verzet tegen de pensée unique van het marktdenken, dat door Le Monde diplomatique werd gekarakteriseerd als een nieuw `totalitarisme'. De spraakmakende socioloog Pierre Bourdieu riep in zijn boek Contre Feux op tot een revolte tegen de `neoliberale invasie'.

Revel heeft gelijk: in Frankrijk – en trouwens in mindere mate ook in Duitsland – is het verzet groot om de staatsuitgaven aan te passen aan de eisen van een open wereldeconomie. Maar hij overdrijft. Op 20 maart publiceerde het Amerikaanse weekblad Newsweek een omslagartikel waarin het opmerkelijke succes werd uitgemeten van een modernisering die de Franse economie maakt tot een modelleerling in de gemondialiseerde verhoudingen. Premier Jospin praat links maar is in de praktijk gangmaker van een economische liberalisering. Onder zijn leiding kwamen meer staatsbedrijven in particuliere handen dan onder het regime van zijn rechtse voorganger Juppé. Onlangs kondigde de socialist Jospin een belastingverlaging aan die zich laat meten met vergelijkbare maatregelen in andere West-Europese landen.

Achter elke poging om de ongebreidelde werking van de vrije markt te beteugelen vermoedt Revel de hand van het marxisme. Anders dan het communisme, aldus Revel, beroept het liberale denken zich niet op een a priori-constructie van de ideale samenleving. Het is daarentegen voortdurend gericht op de praktijk en steeds bereid tot aanpassingen. Dat oordeel laat de lezer echter achter met de knellende vraag waarom Revel elk verlangen naar marktcorrectie identificeert met de wens socialisme en communisme te laten herrijzen, twee termen die hij overigens op onverantwoord nonchalante wijze door elkaar gebruikt. Ook de Franse Parti Socialiste is al sinds bijna twintig jaar bekeerd tot het sociaal-democratische gedachtegoed, dat traditioneel verbonden is met de beginselen van de liberale democratie.

Toch kan La Grande Parade niet terzijde worden gelegd als een gedateerde poging om de ontmaskering van het linkse dogmatisme nog eens over te doen. Zijn speurtocht naar de restanten van het links-extremistische denken leidt Revel ook naar de dubbele moraal die het posterieure oordeel over nationaal-socialisme en communisme kenmerkt. Hij schrijft niets af te willen doen aan het unieke karakter van de Holocaust. Maar hij meent ook dat de sinistere planmatigheid van Hitlers wandaden als alibi wordt gebruikt om de ernst en omvang van de communistische criminaliteit te relativeren. Als de misdaden van Hitler ter sprake komen, aldus zijn waarneming, is de algemene reactie dat de herinnering levend moet worden gehouden en dat we waakzaam moeten blijven. Maar de massale moordpartijen van Stalin, Mao en andere communistische machthebbers geven volgens hem al gauw aanleiding tot de verzuchting dat we dit langzamerhand allemaal wel weten. Waarom, zo is dan vaak de vraag, die oude koeien uit de sloot gehaald?

Haider

De affaire-Haider heeft aan dit verschil in beoordeling nieuwe actualiteitswaarde verschaft. Na diens uitspraken over de verdiensten van Hitler en de leden van de Waffen-SS lag de verontwaardiging over de toetreding van de FPÖ tot de Oostenrijkse regering voor de hand, ook al heeft Haider zich bij herhaling voor die uitlatingen verontschuldigd en ondertekende zijn partij als onderdeel van de coalitieovereenkomst een attest van correct gedrag. De vraag wat deze verklaringen waard zijn is bij een politicus van dit allooi alleszins begrijpelijk. Maar is het niet vreemd dat de scherpe reactie van de andere EU-lidstaten mede het iniatief was van een Franse regering waarin de communistische PCF sinds 1997 als coalitiepartner fungeert? Deze partij heeft een geschiedenis van hondentrouw aan Stalin en diens opvolgers, een staat van dienst waarvan zij nooit afstand heeft genomen.

Hoe kan de PCF niettemin in de kwestie-Haider de rol van moraalridder opeisen? Het antwoord ligt volgens Revel in de hardnekkigheid waarmee het communisme nog altijd in brede kring wordt geassocieerd met goede bedoelingen. Hij wijst op de uiteenlopende ontvangst van twee in Frankrijk spraakmakende boeken over het communisme. In 1995 verscheen Le passée d'une illusion van François Furet, waarin de aantrekkingskracht van de communistische ideologie op intellectuelen wordt verklaard uit de behoefte aan revolutionaire passie. Dit werk werd alom gunstig ontvangen, volgens Revel omdat het aanhangers en sympathisanten van het communisme afschildert als onschuldigen die misleid zijn door een mooie droom. Twee jaar later publiceerde Stéphane Courtois Le livre noir du communisme, een onderzoek naar de gevolgen van de terreur waaraan communistische regimes hun eigen bevolking onderwierpen. Conclusie: in totaal honderd miljoen doden. De verontwaardiging over dit boek was niet alleen bij (ex-)communisten groot, vooral omdat Courtois in zijn inleiding de omvang van de communistische misdaden vergeleek met die van het nazisme.

Dit verschil in receptie maakt volgens Revel duidelijk waar de dubbele moraal vandaan komt in het oordeel over communisme en nationaal-socialisme. De communistische leer berustte op de mooie intentie van de gelijkheid. Daartegenover stond de afzichtelijke bewieroking van het raszuivere Herrenvolk. Het morele voetstuk van de rechtvaardige samenleving wordt, ook in de beoordeling achteraf, vaak belangrijker geacht dan de praktijk van een dictatoriaal en repressief systeem. Zij die zo redeneren miskennen volgens Revel dat juist de belofte van een stralende toekomst door het communisme werd gebruikt om het gebruik van de terreur te rechtvaardigen.

De bron van het kwaad lag in de ideologie zelf, zoals al zeker sinds de jaren dertig duidelijk kon zijn voor iedereen die bereid was de feiten onder ogen te zien. Revel meent dan ook dat voormalige aanhangers en meelopers van het communisme moreel medeplichtig zijn aan de misdaden van dit systeem. En hij ergert zich mateloos aan het gemak waarmee velen van hen weer een hoofdrol kunnen opeisen in het politieke debat.

Wat men ook van dit verschijnsel denkt, de verklaring die Revel ervan geeft bevredigt niet helemaal. Worden we in ons oordeel achteraf op grote schaal bedwelmd door de goede bedoelingen van het communisme? De macht der gewenning speelt waarschijnlijk een minstens even grote rol. De communistische beweging is meer dan zeventig jaar een geïntegreerd deel van de Europese geschiedenis geweest, tijdens de Koude Oorlog in het Oosten als machthebber en in het Westen als een afgewezen maar niettemin getolereerde groepering. Alleen tijdens het hoogtepunt van het Oost-Westconflict, in de jaren vijftig, werden communisten vaak als maatschappelijke paria's beschouwd.

In internationaal opzicht brak daarna een periode van `ontspanning' aan, die betekende dat het Westen zich instelde op een langdurig vreedzaam samenleven met het communisme. Het nationaal-socialisme had een veel kortere levensduur, die in het geheugen verbonden is met een bezetting en een oorlog die alleen dankzij een bondgenootschap met Stalin kon worden gewonnen.

Verrot

De vijftig jaar Europese stabiliteit, althans afwezigheid van oorlog, die daarna aanbrak was een ervaring die met het communisme werd gedeeld. Ook om die reden is het niet zo eenvoudig dit stelsel te identificeren met iets wat door en door verrot was. Bovendien verdween het dankzij Gorbatsjov op een wijze die zo vreedzaam was dat het wel leek alsof het volgens onze regels werd weggestemd. De communistische beweging is een deel van de Europese ervaring dat te lang is getolereerd om achteraf zwaar te kunnen veroordelen.

Zeker, de ene medeplichtigheid is de andere niet. Zij die zich vol geestdrift achter deze ideologie hebben geschaard, hebben meer om over na te denken dan degenen die om redenen van Realpolitik (`détente') voorstander waren van kredietverleningen die het communistische systeem stabiliseerden. Maar langs deze glijdende schaal van medeverantwoordelijkheid is de geschiedenis van het communisme een deel van onze eigen geschiedenis geworden, dat in de herinnering vaak verbonden is met een slecht geweten. Daarom is het niet alleen voor ex-communisten moeilijk om achteraf de ernst van de communistische misdaden volledig onder ogen te zien.

Jean-François Revel: La Grande Parade. Essai sur la survie de l'utopie socialiste. Plon, 343 blz. ƒ55,50

Socialisten en liberalen