Management in VS koestert personeel

De banengroei in de Verenigde Staten blijft fenomenaal terwijl de lonen slechts beperkt stijgen. Wat ook sterk groeit is het aantal randvoorzieningen ofwel werknemers-'benefits' waarmee werkgevers de arbeidssschaarste te lijf gaan.

De Amerikaanse banenmachine blijft verbazen. De officiële werkloosheid kwam vorige maand met 3,9 procent voor het eerst in dertig jaar uit onder de 4 procent. Er kwamen afgelopen april niet minder dan 340.000 banen bij en steeds meer sociaal marginale groepen worden nu ook richting arbeidsmarkt gezogen. En die zuigkracht is in de VS hevig en wordt daar niet afgeremd door genereuze werkloosheidsuitkeringen of allerhande armoedevallen.

Onder Spaanstaligen in de VS daalde de werkloosheid vorige maand tot 5,4 procent terwijl van de Afro-Amerikanen nog maar 7,2 procent zonder werk zat. Al blijft de werkloosheid onder jeugdige zwarten met 22,2 procent vervaarlijk hoog. Maar onder blanke Amerikanen daalde de werkloosheid tot een luttele 3,5 procent.

Hoewel de schaarste op de Amerikaanse arbeidsmarkt alom voelbaar is, leidde dat vooralsnog niet tot explosieve loonsverhogingen en oplopende inflatiedreiging. In tegendeel, eind vorige week meldde het ministerie van arbeid in Washington dat de prijzen die betaald worden aan Amerikaanse fabrieken, boeren en andere producenten voor het eerst in ruim een jaar licht zijn afgenomen. De producentenprijsindex (ppi) daalde in april met 0,3 procent ten opzichte van de maand ervoor.

Een liberaler immigratiebeleid zou de Amerikaanse werkgevers soelaas kunnen bieden. Maar dat blijft vooralsnog uit. Volgens recente opgaven van de OESO stroomden het afgelopen jaar 800.000 buitenlanders de VS binnen. Maar in Europa lieten Duitsland (610.000) en Groot-Brittannië (220.000) vorig jaar samen meer buitenlanders toe.

Als Amerikaanse werkgevers de groeiende arbeidstekorten niet bestrijden met extra loonsverhogingen of met de inzet van extra immigranten, hoe doen zij dat dan wel? Door hun werknemers meer en gevarieerder randvoorzieningen of `benefits' te bieden. Dat concludeert het internationale organisatie-adviesbureau Hewitt Associates in zijn zojuist verschenen jaarlijkse onderzoek van 1020 Amerikaanse ondernemingen (jhcranda@hewitt.com).

De resultaten suggereren dat de langdurige economische groei en de daardoor veroorzaakte arbeidsschaarste een soort humanistische revolutie hebben ontketend op de naar Europese maatstaven nogal kille Amerikaanse werkplek. Hewitt Associates: ,,Nu de laagste werkloosheidscijfers in dertig jaar zijn bereikt, beseffenondernemingen dat zij meer voorzieningen moeten bieden om hun werkgevers de kans te geven werk en privéleven beter op elkaar af te stemmen.''

Dus bood vorig jaar 74 procent van de ruim duizend door Hewitt bekeken bedrijven flexibele werkmogelijkheden tegen 66 procent in 1994. Meer gedetailleerd: nu biedt 57 procent van de werkgevers hun werknemers flexibele werktijden in plaats van een traditionele werkweek; 47 procent gunt z'n werknemers deeltijdbanen en 28 procent duobanen of thuiswerken.

Ook tonen meer bedrijven bereidheid in te spelen op de huiselijke sores van hun werknemers. Zo biedt 90 procent van de werkgevers op dit moment vormen van kinderbijslag en organiseert 88 procent spaarregelingen ten behoeve van dezelfde kinderen. Bij 42 procent van de door Hewitt onderzochte bedrijven bestaan kinderopvangregelingen terwijl 10 procent zulke oppas zelfs binnen het bedrijf regelt. Bijna eenderde van de werkgevers biedt financiële extra's ingeval werknemers kinderen adopteren.

Tegelijk bezorgen Amerikaanse bedrijven hun werknemers meer persoonlijke voorzieningen op de werkplek. Bijna eenderde biedt binnen de bedrijfsmuren faciliteiten om te bankieren, 18 procent om reizen te boeken en 12 procent om met korting aankopen te doen. Het aantal bedrijven dat zorgprogramma's arrangeert voor bejaarde familieleden van hun werknemers steeg van 23 procent in 1994 naar 53 procent in 1999. Tot slot geeft driekwart van de 1020 onderzochte Amerikaanse ondernemingen hun werknemers toegang tot onderwijs en zogenaamde persoonlijke ontwikkelingsprogramma's.

Er hoeft geen twijfel over te bestaan dat deze opvallende groei in de werknemers-'benefits' weinig van doen heeft met een spontane opbloei van werkgeversaltruïsme of toegenomen druk van de zwakke Amerikaanse vakbeweging, die een organisatiegraad van amper 10 procent kent. Het is de pragmatische strijd om de schaarser wordende arbeid die hier telt en weinig anders. Blijft natuurlijk de vraag in hoeverre deze werknemers-'benefits' een eventuele economische terugval zullen overleven.