Iran: dubieuze Wereldbanklening

De Wereldbank heeft Iran twee leningen verstrekt waar de Verenigde Staten fel tegen gekant zijn. Het geld, in totaal 231 miljoen dollar, is bedoeld voor de verbetering van de gezondheidszorg en het rioleringsstelsel.

De leningen zijn de eerste van de bank aan Iran sinds 1994. Ze waren al een aantal malen uitgesteld omdat vooral de Verenigde Staten vinden dat een land dat het internationale terrorisme steunt, geen recht erop heeft. Washington stemde bij de beslissing over de leningen dan ook tegen. Frankrijk en Canada onthielden zich van stemming.

De Verenigde Staten zijn de grootste aandeelhouder van de Wereldbank en hebben 15 procent van het stemrecht. Dat is voldoende om beleidsbeslissingen te blokkeren, maar niet voldoende om een veto uit te spreken bij het toekennen van leningen aan individuele landen.

Madeleine Albright, Amerika's minister van buitenlandse zaken, heeft het ongepast genoemd dat Iran de leningen krijgt. Ze wees op de terroristische activiteiten van het land en op het `showproces' dat aan de gang is tegen dertien joden die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan spionage voor Israël. Bovendien maakt Washington zich zorgen over het economische beleid van Iran, aldus Albright.

De president van de Wereldbank, James Wolfensohn, verklaarde dat de leningen zijn gegeven uit humanitaire overwegingen. De goedkeuring voor de kredieten is gebaseerd op economische en menselijke overwegingen en is bedoeld als steun voor de hervormingen die president Mohammad Khatami wil doorvoeren.

Die hervormingen zijn doorslaggevend voor verdere kredietverlening. Daarover valt over ruim een half jaar de beslissing, zo zei president James Wolfensohn van de Wereldbank.