Gezelschap is een vloek

`Tegenwoordig zijn we louter kleine hectische alleenlachers. Mensen die geen spier vertrekken als je eens iets zegt om anderen te vermaken. Die alleen maar na de onzin die ze zelf ten beste geven, hun mekkerende, volkomen misplaatste, eenzame lachsalvo's afvuren.' Aldus de diagnose van het personage `de volwassene in gezelschap', gesteld door Botho Strauss in zijn nieuwe boek, Das Partikular. Het heeft er met die volwassene weleens beter voorgestaan: ooit kon hij onbekommerd gieren. Maar met de jaren begon zijn lach almaar holler te klinken. De alleenlacher herkende het signaal: steeds hoorbaarder werd zijn angst voor gezelschap.

Het trefwoord gezelschap heeft in het proza van Strauss de lading van een vloek. Gezelschap bestaat immers uit concurrenten, uit mensen die in hun geheime agenda een aanspraak op geluk hebben genoteerd. Dus schrikt gezelschap er niet voor terug om het geluk van een ander ten eigen faveure te saboteren.

De alleenlacher van Botho Strauss probeert de angst voor die concurrent weg te lachen. Bluf is zijn levenskunst en levensleugen. Hij weet dat hij zichzelf voor de gek houdt (en lijdt daaronder) en vooral is hij erop uit zijn gezelschap voor te spiegelen dat hij de situatie onder controle heeft. De alleenlacher staat op een toneel waar hij helemaal niet hoort te staan, en hij staat er niet eens alleen. Ook het gezelschap acteert. En met het hol worden van de lach werd dat wat eens als komedie begon een regelrechte tragedie.

Want de acteerdwang vergalt zelfs het samenzijn met de partner. De partner is de adder die je aan de borst drukt. De partner is een geallieerde: het unieke karakter van de alleenlacher moet hij aan het grote gezelschap verklaren. Een rolverdeling bijna even beklemmend als het hek rond de Bijlmerbajes.

Strauss-figuren voelen zich door het minste of geringste teruggestoten – teruggeworpen en miskend. Zo toont de schrijver iemand die in een volle wachtkamer de tijd moet doodslaan. Bang dat de andere wachtenden hem begluren verschuilt hij zich achter zijn paspoort. Hij `neemt zijn identiteit ter hand' en leest: `Ogen grijsbruin, lengte één meter vierenzeventig, bijzondere kenmerken: geen.' De miskenning komt zowel van buiten als van binnen, want hoe vaak de man zijn kenmerken ook leest, ze brengen hem niet nader tot hemzelf; ook daar vindt hij geen veilige schuilhoek.

Veel deprimerender dan bij Strauss kom je het in de Duitse letteren niet gauw tegen; zelden ook wordt er zo mysterieus en meerduidig geformuleerd. De auteur gunt zijn personages geen eigen leven en ons geen inleving. En hij stelt zichzelf tevreden met fragmenten. Zijn boek heeft iets van een werkplaats waar driftig wordt gesleuteld en de finishing touch er steeds weer bij inschiet.

Soms heeft die vaagheid iets moois. Bijvoorbeeld in het stille tafereel met de regieaanwijzing `vlak winterlicht'. Twee figuren zoeken elkaars gezelschap en, zo luidt de conclusie van de verteller, ze bleven `einander ungeschickt'. Die formulering is vatbaar voor minstens tweeërlei uitleg. In de eerste plaats gedraagt het paar zich ungeschickt dus onhandig. In de tweede plaats zijn deze geallieerden niet voor elkaar bestemd. Wilde het Schicksal het zo? Ze zijn als twee achtergehouden brieven, liefdesbrieven wellicht, die men vergat te schicken, te versturen. Maar vaker nog irritéren Strauss' verheven allegorieën op de eenzaamheid.

Twintig jaar geleden noteerde hij in Paare, Passanten: `Het is belachelijk om zonder geloof te leven. Daardoor zijn wij voor elkaar de belachelijkst denkbare schepsels geworden en heeft onze hoogste kennis niet verhinderd dat wij onszelf voor het uitbraaksel van een galmend goddelijk gelach houden.' Dat `wij', waarvan Strauss-de-Ziener zich zo graag bedient, klonk toen al pathetisch. Gebleven is eveneens het geloof in de belachelijkheid van de mens. Het heeft zich bij de oudere schrijver ontwikkeld tot een pathos dat in dienst staat van een blijkbaar onoverwinnelijke misantropie.

Botho Strauss: Das Partikular. Hanser Verlag, 220 blz. ƒ41,90 (geb.)

Buitenlandse literatuur