`Gebrekkige en onjuiste vragen'

Vorig jaar vond de econoom A. Heertje verschillende fouten in het eindexamen economie. Dit jaar vindt hij het examen weinig beter: ,,Vooral de goed opgeleide leerlingen hebben het moeilijk gehad.''

Duizenden leerlingen hebben gisterenmiddag van half twee tot half vijf hun tanden stukgebeten op het examen havo-economie. Zij kregen zes tamelijk bewerkelijke stukken voorgeschoteld. Ik vermoed dat velen in tijdnood zijn gekomen. Vooral de goed opgeleide en intelligenste leerlingen hebben het moeilijk gehad door gebrekkige en zelfs onjuiste vraagstelling.

Opgave 1 wordt ingeleid met deze zinnen: ,,De economische groei in Nederland is in 1998 bijna 4 procent geweest. Een groei van de productie in deze orde van grootte duidt op een fase van hoogconjunctuur.'' Deze vaststelling is onjuist. De opstellers van het examen verwarren hier de ontwikkeling aan de aanbodzijde, die tegenwoordig sterk onder invloed staat van dynamische ondernemers en vooral de informatietechnologie, met een hoog niveau van bestedingen ten opzichte van de productiecapaciteit.

Een moderne netwerkeconomie kan een ruime periode sterk groeien zonder dat de traditionele verschijnselen van overspanning en inflatie zich voordoen. Zo groeit de Amerikaanse economie reeds een groot aantal jaren, terwijl eerst nu de noodzaak van afremming zich doet gevoelen vanwege de dreiging van oververhitting met inflatoire gevolgen. Ook de Nederlandse economie is op een hoger groeipad gekomen, zonder de traditionele verschijnselen van overbesteding en sterke inflatie.

Het examen knoopt aan bij een veranderde voorstelling van zaken, die ver af staat van de belevingswereld van de leerlingen en feitelijk onjuist is. De vragen versterken dit beeld. Zo wordt de Betuwelijn gepresenteerd als een conjunctureel project met multiplier-effecten, terwijl het gaat om een structurele voorziening met belangrijke gevolgen voor natuur en milieu.

In opgave 3 wordt de koersdaling van de Russische roebel ten opzichte van de dollar ter sprake gebracht. De leerlingen wordt gevraagd uit te leggen dat de verlaging van de rente op de roebel door de centrale bank bijdraagt aan het moderniseren van het Russische productieapparaat. Hier wordt een elementaire denkfout gemaakt: de korte en lange rente wordt verward.

De monetaire autoriteiten verhogen soms de korte rente om inflatieverwachtingen te temperen, inflatie te voorkomen en derhalve de lange rente op een betrekkelijk laag niveau te houden. Voor de investeringbeslissing van de ondernemingen isde lange rente van belang. Het verlagen van de korte rente kan juist het investeringsklimaat verslechteren omdat de angst voor inflatie wordt aangewakkerd. Leerlingen en docenten die het gedrag van Greenspan en Duisenberg volgen, kennen deze lessen. In opgave 5 wordt de belastingherziening van Zalm en Vermeend als volgt geïntroduceerd: ,,Het ministerie van Financiën onderzoekt mogelijkheden om het huidige stelsel van belasting- en premieheffing te hervormen.'' Leerlingen die met hun docenten de ontwikkelingen op de voet hebben gevolgd, worden hier volledig in het verleden geplaatst. De verwarring wordt vergroot door de oude schijven te hanteren en de compensatie voor het afschaffen van de belastingvrije sommen als een belastingkorting te typeren. Helaas moet worden geconcludeerd dat het havo-examen economie onvoldoende vakkennis verraadt van de opstellers.

Naast dit economie-examen `oude-stijl', is er ook een examen dat speciaal is gemaakt voor die leerlingen die dit jaar al eindexamen in de tweede fase doen. Dit examen is beschamend. Aan de leerlingen wordt gevraagd woorden in te vullen in zinnen door te kiezen uit telkens drie mogelijkheden. Dit staat haaks op de zelfwerkzaamheid die van de leerlingen in het studiehuis wordt verwacht. Mijn leerlingen van de derde klas van het Vossiusgymnasium in Amsterdam kunnen deze vragen zonder moeite na drie maanden economieles beantwoorden.

De infantilisering van het economieonderwijs heeft met deze proeve van een examen `nieuwe-stijl' een hoogtepunt bereikt, waardoor de aansluiting bij het hoger beroepsonderwijs niet dichterbij is gekomen, maar op grotere afstand is gezet. Het werk is een belediging voor leerlingen, docenten en scholen die gedurende enkele jaren hard hebben gewerkt aan serieuze opgaven, opdrachten en werkstukken. De tweede fase verdient een andere heer.