Flirten bij de koelvitrine

Kunstenaar Otto Berchem vindt schilderijen of beelden te beperkt, hij wil ingrijpen in andere levens.

Supermarkt Lindeman in Amsterdam is geen alledaagse supermarkt. De winkel is gevestigd in hartje Amsterdam, in een buurt die barst van de young urban professionals. Wie er op het einde van de middag of op zaterdagochtend zijn boodschappen doet, treft twintigers en dertigers, aantrekkelijk en goed gekleed, in hun eentje schuifelend tussen de Thaise noedels en het brede kruidenassortiment. Af en toe wordt er een steelse blik uitgewisseld.

Sinds afgelopen zaterdag lopen sommige Lindeman-klanten door de winkel met een geel boodschappenmandje waarop groene, roze en blauwe bloemen pronken. Die mensen zijn, al dan niet bewust, deelnemer aan The Dating Market, het nieuwe werk van de Amerikaanse kunstenaar Otto Berchem (1967), dat bij de ingang wordt aangekondigd. Door een geel bloemenmandje te pakken laat de shopper in Lindeman zien dat hij vrijgezel is en vooral: beschikbaar. Ter verduidelijking hangt er bij de ingang een `instructieve' foto waarop twee typische Lindeman-klanten langs elkaar heenschuiven voor een koelvitrine. ,,In Lindeman komen veel dertigers'', vertelt Berchem (spreek uit Burtsjem), ,,die hard werken, veel verdienen, maar geen relatie hebben – daar hebben ze gewoon geen tijd voor. Ze zijn zo druk dat boodschappen doen vaak hun enige sociale activiteit van de dag is, en dus ook meteen de enige gelegenheid om `soortgenoten' te ontmoeten. Maar contact leggen valt niet mee, weet ik uit eigen ervaring. Door The Dating Market hoop dat te vergemakkelijken.''

Om verlegen vrijgezellen een openingszin te bieden heeft Lindeman tijdens The Dating Market zelfs speciale aanbiedingen geïntroduceerd; de eerste week zijn dat zwarte olijven zonder pit, Zwitserse koekjes en pijnboompitten, die in hoge stapels middenin de winkel staan opgestapeld.

Door z'n doelstelling en opzet is Berchems Dating Market een typisch voorbeeld van `sociale kunst', die de laatste jaren steeds vaker is te zien. Hoewel, te zien – het opvallendste aspect aan zulke kunst is juist dat er weinig aan te zien is. Het concept, de sociale interactie staat voorop. Alicia Framis bijvoorbeeld, sliep in het kader van het project The Dreamkeeper bij allerlei mensen thuis `om hun dromen te bewaken'. Het werk van het Nederlandse kunstenaarsduo Orgacom bestaat eruit dat ze netwerkcursussen organiseren bij bedrijven als Randstad. Een ander duo, Plejanov&Heger verkennen op de tentoonstelling Plan B in De Appel de `grenzen van de sponsoring' door BMW voor een jaar een luxe Z3 Roadster af te troggelen. En de bijdrage van de Spaanse kunstenaar Asier Pérez Gonzáles aan Plan B bestaat eruit dat hij de toeschouwers belooft dat hij de prijs van het toegangskaartje teruggeeft als de expositie ze niet bevalt. Al deze kunstenaars zijn uitgekeken op het traditionele beeld of schilderij. Ze willen de wereld in, naar de toeschouwer toe. Ze willen hun publiek niet alleen iets esthetisch of iets prikkelends bieden, ze willen in levens ingrijpen.

Kijkcijfers

Dat gaat natuurlijk niet zomaar. In de praktijk blijkt maar al te vaak dat dit soort kunst balanceert op eenzelfde grens als charitatieve programma's op RTL5 of SBS6: ze worden gemaakt voor de armen en behoeftigen, maar ondertussen gebruiken ze die armen vooral om hun kijkcijfers op te krikken. Zo gaat het ook met veel `sociale' kunst: wat de kunstenaars ook doen, het resultaat blijft altijd meer kunst dan charitas. En door die dubbele houding ligt achterdocht op de loer, zeker als Asier Pérez González besluit alle entreegelden die hij niet uitkeert als zijn eigen honorarium te beschouwen, of, zoals Dejanov&Heger, je met die luxe BMW niet veel meer doet dan erin rondrijden en er reclame voor maken.

Otto Berchem slaagt er daarentegen opvallend goed in de klippen van plat winstbejag of slappe sociale werkplaatskunst te omzeilen. Berchem is dan ook niet in de eerste plaats een idealist, zijn werk gaat vooral over de manier waarop mensen zich tot hem of tot elkaar verhouden. Dat bleek al uit het glazen dak, dat hij ter gelegenheid van Panorama 2000 in Utrecht installeerde. Een ander mooi voorbeeld is Behind you (1995) een serie van tachtig dia's waarin Berchem vrienden, bekenden en collega's portretteerde, staande, met hun armen langs hun lichaam. Op het eerste gezicht zijn het gewone, levensgrote portretten, totdat de toeschouwer doorkrijgt dat er recht achter iedere figuur nog iemand staat – Otto Berchem zelf. Eerst lijkt het een grap, maar door Berchems permanente aanwezigheid, soms met een voet, dan weer met een uitstekende kruin, gaan alle geportretteerden zich letterlijk tot hem verhouden – en allebei worden ze er interessanter door.

Een andere poging om contact te maken was de talkshow The Otto Berchem Show die Berchem in 1995, tijdens zijn eerste jaar op de Amsterdamse Rijksacademie organiseerde. De show was opgezet als een imitatie van de talkshows van Jerry Springer, Oprah Winfrey, of Ricki Lake, waarin gasten hun hart uitstorten of elkaar de oren wassen. Maar de Otto Berchem Show was een complete mislukking. Berchem had zich vergist in de complexiteit van zo'n show, van de voorbereidingen en voorzieningen die nodig zijn voor een imitatie van het Amerikaanse origineel. Bovendien bleken Nederlandse kunstbonzen een stuk afwachtender dan assertief Amerikaans studiopubliek. ,,De show was inderdaad een mislukking'', zegt Berchem, ,,maar dat zit in zulke projecten besloten. Ik wil de realiteit zoveel mogelijk benaderen en daar zit altijd het risico in dat de realiteit niet meewerkt. Het rare was ook: iedereen was het er over eens dat de show niet geslaagd was, maar toch word ik er nog steeds op aangesproken.

Berchems belangstelling voor `sociale kunst' ontstond toen hij, na aan het Edinburgh College of Art twee jaar schilderkunst te hebben gestudeerd, werd gevraagd voor een `buiten' kunst-project. Voor het eerst besloot hij het heel anders aan te pakken. Als locatie koos Berchem een openbaar toilet in Edinburgh. Daar, op de mannen-wc, recht boven een rijtje aluminium pisbakken plakte hij de tekst: Men begin at an early age on the lifelong habit of surreptitious penis-watching. In public lavatories they will always compulsiveley ,,check out the opposition''. (Mannen beginnen op jonge leeftijd met de levenslange gewoonte van stiekem penis-kijken. In openbare toiletten zullen ze altijd dwangmatig ,,de tegenstander controleren''.)

Al enkele uren nadat de tekst was aangebracht werden de eerste letters van de tegels getrokken. En na klachten besloot de gemeente Edinburgh het werk te verwijderen. ,,Ik merkte toen dat ik eigenlijk niet geïnteresseerd ben in schilderijen of beelden'', zegt Berchem. ,,Die worden al gauw zo esthetisch, zo beperkt. Dit soort `sociale' kunst roept meer reacties op. Dat is ook veel typerender voor mijn generatie. We willen geen grote statements maken, maar kleine gestes, die buiten de specialistische kunstwereld reiken. Ik wil dat mensen mijn werk niet alleen ondergaan, het moet ze ook in beweging zetten.''

Probleem waarmee Berchem en zijn collega's worstelen is dat hun soort kunst niet bepaald gemeengoed is, wat de interesse en de bereidwilligheid van het publiek er niet groter op maakt. Dat blijkt ook bij een bezoek aan Dating Market Lindeman. Wie daar rondloopt om Berchems project te bekijken voelt zich al snel een ingewijde die vooral twijfelt in hoeverre zijn mede-shoppers zijn kennis delen. Het project mag dan een leuk en uitnodigend zijn, ook in een Dating Market weet je nog steeds niet zeker of dat leuke meisje, dat een eindje verderop dat haar gele mandje met Griekse yoghurt en knoflook vult, beschikbaar is, of dat ze het gele mandje in de haast heeft gepakt. Daar staat tegenover dat de mandjes van het winkelen een heel andere ervaring maken. Plotseling zijn al die om elkaar heen draaiende dertigers potentiële acteurs – je weet tenslotte van niemand zeker of hij zich van het project bewust is. Daarmee is The Dating Market voor degenen die zich van Berchems hand bewust zijn toch weer vooral een kunstproject. ,,Volgens mij komt dat vooral doordat een dergelijk project zo nieuw, zo anders is'', zegt Berchem. ,,Ik zou dan ook veel liever hebben dat het langer zou lopen, zodat iedereen er aan zou kunnen wennen. Pas dan zou het `kunstmatige' eraf gaan en werkelijk in het leven zijn opgenomen.''

Dat voor zo'n langer tijdsverloop iets valt te zeggen blijkt uit Berchems meest geslaagde `sociale' werk tot nu toe: het Glazen Plafond, dat hij liet installeren op een woning onder de Dom in Utrecht. Door dat dak konden de toeschouwer op de Dom vier maanden lang het leven van de twee bewoners volgen, van hun ochtendritueel tot hun avondeten. Hoe goed Berchem de tijdgeest daarmee had aangevoeld bleek wel uit het feit dat enkele maanden later via Big Brother het grote gluren via de tv begon.

Juist door zulke connotaties beschouwt Berchem zichzelf niet graag als een idealist. ,,Ik ben niet alleen aardig voor mijn publiek, ik wil het ook met zichzelf confronteren. Mijn Glass Ceiling wordt vergeleken met Big Brother, maar er is een essentieel verschil: de bewoners van mijn appartement keken terug. En daar bleken die anonieme toeschouwers op de Dom helemaal niet van gediend. Een keer deed Rob, de man van het stel in het huis, alsof hij met zijn camera foto's ging maken van de toeschouwers op de Dom. Die wisten niet hoe snel ze weg moesten komen.''

Otto Berchem: The Dating Market. Supermarkt Lindeman, Elandsgracht 11, Amsterdam en Galerie Ellen de Bruyne, Rozengracht 207A, Amsterdam. T/m 10 juni. Onlangs verscheen bij Artimo de publicatie Otto Berchem: It's not my fault. 80 blz., ƒ29,50.

`Ik benader de realiteit zo dicht mogelijk, met het risico dat de realiteit niet meewerkt'

    • Hans den Hartog Jager