Europese Federatie zal het einddoel zijn

Het `vermaledijde' f-woord is terug in het Europese debat. `F' staat voor federaal en federatie. Vermaledijd, met name voor de Britten die er een aanslag in zien op hun soevereiniteit, tot uitdrukking komend in de onaantastbare status van hun parlement. De idee van de grondleggers van de Europese eenwording dat dit project eens in een federaal Europa zou uitmonden, is in diskrediet geraakt. Niet alleen bij Britten en Denen, maar bij al die pragmatische Europese bestuurders die het de laatste jaren voor het zeggen hebben. `Versterkte samenwerking' is wel ongeveer de grens van het mogelijke geworden en `subsidiariteit' moet garanderen dat niet al te veel bestuurlijke taken naar het Europese niveau worden overgeheveld. De groeiende invloed van de Europese Raad – het instituut van staats- en regeringsleiders – staat er borg voor dat de Europese integratie een toenemend intergouvernementeel karakter krijgt.

En daar is nu Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, die het f-woord weer introduceert. In een rede voor de Berlijnse Humboldt-universiteit pleitte Fischer voor een federale structuur van het toekomstige Europa. Het fundament van zijn stelling is – niet verrassend – de visie van `founding father' Robert Schuman die vijftig jaar geleden, ter voorkoming van oorlog, een federaal Europa voorzag. Niet zozeer voorkoming van oorlog, maar het dreigende vastlopen van het straks uitgebreide Europa in zijn eigen bestuursstructuur lijkt Fischer te hebben geïnspireerd. De Europese problemen en uitdagingen zijn zo met elkaar verknoopt geraakt, dat zij binnen de bestaande procedures nog slechts zeer moeilijk zijn op te lossen, meent hij.

Maar waarom dan de uitbreiding als deze zoveel moeilijkheden met zich brengt? Fischer tilt dit project uit boven het gebruikelijke debat over de kosten, de dreigende volksverhuizing uit het Oosten, en de overmacht van de concurrentie uit het Westen. Een tot West-Europa beperkte Europese Unie, zegt hij, zou Oost-Europa overgelaten hebben aan het aloude systeem van het machtsevenwicht, met zijn nationale gerichtheid, coalitiedwang op grond van klassieke belangenpolitiek en het permanente gevaar van nationalistische ideologieën en confrontaties. Dit zou Europa tot een continent hebben gemaakt waar de onzekerheid regeert en waar de traditionele conflicten van Oost-Europa weer op de EU zouden zijn overgedragen.

Uitbreiding dus. Maar vergezeld van de erkenning dat een EU van 27 tot 30 lidstaten ,,met haar oude instituties en mechanismen intact te veel zal eisen van haar absorptievermogen en dat het tot zware crises kan komen''. Het antwoord van Fischer is de ontwikkeling van de EU van een statenbond naar een Europese Federatie op parlementaire grondslag. Die Federatie zal op een grondwet gefundeerd dienen te zijn.

Fischer kent zijn pappenheimers, in binnen- en buitenland. De Duitsers zijn gewend aan een federale structuur. De Bondsrepubliek is een federatie van deelstaten waar de bevoegdheden van de Länder en van het federaal gezag nauwkeurig omschreven zijn en waar de Bondsraad, als vertegenwoordiger van de regeringen van de Länder, een beslissende invloed heeft op de besluitvorming in Berlijn. Maar de Länder vrezen machtsverlies doordat Berlijn macht afstaat aan de EU die, zo vrezen zij, niet of nauwelijks rekening met de deelstaten houdt. Op de topconferentie van de EU in Amsterdam kon de noodzakelijke reorganisatie van het Europese bestuur, met name uitbreiding van de terreinen waar met meerderheid wordt besloten, geen voortgang vinden omdat de Länder kanselier Kohl de wacht hadden aangezegd en daardoor de Frans-Duitse motor haperde. Dit probleem is intussen niet weggenomen.

In de meeste EU-landen is de nationalistische tendens en de argwaan jegens `Brussel' de laatste jaren toegenomen, zelfs in een traditioneel pro-integratieland als Nederland. Een pleidooi voor een Europese Federatie zweept, al naar gelang het land, de gemoederen tot grote hoogte op, dan wel mag op de lauwst denkbare ontvangst rekenen. Fischer heeft dit voorzien en roept het dogma van de `subsidiariteit' te hulp om kritiek voor te zijn. De `soevereiniteitsdeling' die Fischer noodzakelijk acht, komt tot uitdrukking in de voorziene grondwet alsmede in de bestuursstructuur van de nieuwe EU. Zijn Europees parlement zal, naar het Duitse dan wel het Amerikaanse voorbeeld, bestaan uit twee Kamers, een vertegenwoordiging van de burgers en een vertegenwoordiging van de nationale staten.

Fischer sprak voor eigen rekening, zo liet hij weten. Eerder dus als een vrij denkende burger dan als een vertegenwoordiger van zijn regering. Hij knoopt vast aan de `versterkte samenwerking', de vorming van een soort avant-garde binnen de Unie. Ook dit concept is nog flink omstreden omdat het een eind wil maken aan de regel dat de langzaamste het tempo van de karavaan bepaalt. Maar vergeleken met het door Fischer getekende einddoel is het slechts een voorzichtige stap vooruit.

Fischer voorziet drie fasen, te beginnen met de `versterkte samenwerking'. Hij denkt daarbij aan de verdere ontwikkeling van de Euro-11 (de elf EU-landen die de euro hebben ingevoerd) tot een economisch-politieke Unie, aan de bescherming van het milieu, de bestrijding van de misdaad, de ontwikkeling van een gemeenschappelijk immigratie- en asielbeleid en van een buitenlandse en veiligheidspolitiek. Als een volgende tussenstap naar wat Fischer de voltooiing van de eenwording noemt, ziet hij de magneetwerking die zou uitgaan van een groep landen die een nieuw Europees basisverdrag zouden sluiten, de kern van een grondwet van de Federatie. Op grond van dat verdrag zal er een regering zijn, een sterk parlement en een direct gekozen president. Een dergelijk `Gravitationszentrum' moet, in Fischers woorden, de avant-garde, de locomotief zijn voor de voltooiing van de politieke eenwording en dient alle elementen van de toekomstige federatie te omvatten.

Het opmerkelijkste aan Fischers denkbeelden is dat hij de politiek van het `zien komen' achter zich wil laten. Al tientallen jaren lang richten Europese en nationale politici zich wat de eenwording betreft op de middellange termijn. Na totstandkoming van de ene markt kwamen de euro, het begin van een gemeenschappelijk binnenlands en buitenlands beleid, alsmede de uitbreiding. Het gaat erom dynamiek te ontwikkelen, maar waar het heenvoert blijft duister. Fischer heeft nu het einddoel beschreven. Dat is winst.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon