Eigenzinnig historicus

Zijn boeken, waarvan de meeste tientallen jaren geleden zijn geschreven, staan vandaag de dag nog steeds op de leeslijsten van studenten: What is History?, een nogal relativistische kijk op de geschiedenis en op het vak van historicus; The Twenty Years' Crisis, een pleidooi voor de realistische benadering van internationale betrekkingen; en A History of Soviet Russia, een serie van veertien delen over de vroege geschiedenis van de Sovjet-Unie, jarenlang ongeëvenaard in omvang en detail. In een tijd waarin de publish or perish-cultuur de omloopsnelheid van wetenschappelijke publicaties steeds verder opvoert, hebben de boeken van de Britse historicus, diplomaat, journalist en beoefenaar van de politieke wetenschappen Edward Hallet Carr zich vrij gemakkelijk staande weten te houden. The Vices of Integrity is niet de eerste maar wel de meest `biografische' studie naar leven en werk van Carr. Dat bleek geen eenvoudige klus. Jonathan Haslam, een Ruslandkundige die Carr persoonlijk heeft gekend, kwam er al snel achter dat de omvang van diens gepubliceerde werk recht evenredig is aan die van zijn meer persoonlijke nalatenschap. Carr was geen sociaal type. Zelfs in de laatste jaren van zijn leven, de periode waarin Haslam met hem in contact stond, bleef hij `teruggetrokken' en `gesloten': `een vriendelijke man, geestig, licht ironisch, uiterst loyaal tegenover degenen die hij waardeerde maar soms korzelig en wantrouwend ten aanzien van vragen die niets met zijn werk van doen hadden, afkerig van intimiteit, en bovenal een loner.'

Het is niet gemakkelijk de levensgeschiedenis van een loner te schrijven. The Vices of Integrity is dan ook vooral een intellectuele biografie. En hoewel de passages over Carrs persoonlijke leven niet tot de meest overtuigende delen van het boek behoren, is één ding duidelijk: werk en persoonlijkheid van E.H. Carr blijken in dezelfde mate consequent eigenzinnig.

Edward Hallet Carr is het bewijs van zijn eigen stelling dat de historicus vooral een product van zijn tijd is. Carr heeft altijd iets gehad van de typische arrogantie en betweterigheid, de krenterigheid en de onverstoorbaarheid van de Britse hogere burgerklasse waaruit hij afkomstig was. En waarom ook niet? Als de Britse burgerij ooit reden voor tevredenheid, zo niet zelfgenoegzaamheid heeft gehad, dan was het wel in de tijd van Carrs jeugd, rond de vorige eeuwwisseling.' Niets wees er op, aldus Haslam, dat Carr geen modelproduct van Victoriaanse opvoeding zou worden, toegewijd aan God, Koning en Vaderland. Tot in 1914. De Grote Oorlog bracht de ommekeer. Hoewel een zwak hart hem buiten de loopgraven hield, grepen de Eerste Wereldoorlog en zijn nasleep diep in Carrs leven in. In dezelfde mate waarin hij zich in zijn jonge jaren schaarde achter de Liberals in zijn land, zou hij later ontzag tonen voor de grote dictators van zijn tijd, voor Hitler, tot op zekere hoogte, en voor Stalin in het bijzonder. Tijdens de oorlog verruilde Carr de universiteit voor het Foreign Office. Hij werd tewerkgesteld op de Afdeling Smokkel, vanwaar de economische oorlogsvoering tegen de Centrale Mogendheden werd gecoördineerd. Het was zijn eerste contact met Rusland. Voor oktober 1917 had Carr tot taak de noordelijke aanvoerroutes naar Rusland veilig te stellen; na oktober, nadat de bolsjevieken zich uit de oorlog hadden teruggetrokken, zag hij erop toe dat dezelfde goederen Rusland niet bereikten.

Komische opera

Typerend voor zijn esprit de contradiction was dat hij geen geloof hechtte aan de destijds dominante overtuiging dat de communistische heerschappij in Rusland een kwestie zou zijn van een paar weken. Blijkbaar had hij al onmiddellijk een goed oog voor de gewetenloze macht die de bolsjevieken overeind hield. Carr maakte deel uit van de Britse delegatie op de vredesonderhandelingen in Parijs na afloop van de oorlog. Hij liet zich er, ook in officiële stukken, vooral laatdunkend over uit. De onderhandelingen deden hem nog het meest denken aan een `komische opera' of een `discussieclubje op de middelbare school': hier werd besloten over de toekomst van Europa door een handjevol wereldleiders, op de knieën, zich nauwelijks bewust van de politieke en territoriale werkelijkheid achter de landkaarten die ze bestudeerden.

De `oude' en de `nieuwe' Carr ontmoetten elkaar in Parijs. Hoewel hij zich nog lang de morele verontwaardiging herinnerde over het gemak waarmee de Westerse politici dezelfde liberale principes verrieden waarvoor ze vier jaar eerder in het krijt waren getreden, sprak hier toch met name de `realist' Carr. Vooral de vernederende behandeling van Duitsland, meer op emotie en wraakzucht gebaseerd dan op een realistische inschatting van de krachtsverhoudingen op het continent, stuitte hem tegen de borst. Zijn `natuurlijke empathie' voor de Duitsers, zoals Haslam het typeert, zou Carr nog flink parten spelen. Niet alleen plaatste hij zich in de jaren dertig vrijwel onverkort achter Hitlers inspanningen de `schande' van de Vrede van Versailles ongedaan te maken. Hij ontpopte zich ook als een van de meest uitgesproken voorstanders van appeasement. Duitsland had het vanzelfsprekende recht op volledige nationale zelfbeschikking, meende Carr. `Hitler gelooft in Duitsland', schreef hij, `en wellicht zal ooit als de belangrijkste verworvenheid van het Hitlerisme worden erkend dat het, op een wijze die uitzonderlijk is in de Duitse politiek, alle sociale geledingen aanspreekt, en in zijn rijen arbeiders, burgerij, intelligentsia en aristocratie verenigt.' Die erkenning bleef achterwege, maar Carr kreeg uiteindelijk meer gelijk dan hij zelf voor wenselijk moet hebben gehouden.

Appeasement was in de optiek van Carr een kwestie van politiek realisme. De `Conferentie van München' (september 1939), waarop Engeland en Frankrijk Tsjechoslowakije dwongen de Sudeten-Duitse gebieden af te staan aan Berlijn, zag hij als een `model voor vreedzame onderhandeling' dat geheel correspondeerde met de bestaande krachtsverhoudingen in Europa. Carr gold toen al als een uitgesproken `realist'. Macht en machtsverhoudingen interesseerden hem. Idealisme, althans als leidraad voor politiek en politieke analyse, was hem vreemd. Realisme en realiteit zijn echter twee verschillende zaken, zoals ook Carr zich tot zijn schrik realiseerde bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Tot op het allerlaatste moment, zo gaf hij zelf toe, had hij de oorlog niet zien aankomen. Carrs reputatie leek geknakt. Haslam citeert een uitlating van Arnold Toynbee over Carrs Twenty Year's Crisis (1939): `het laat je achter in een moreel vacuüm en op een politiek dood punt.' Het was ongetwijfeld een onrechtvaardig oordeel, maar het sloeg wel aan, in het eerste jaar van de oorlog. Des te opmerkelijker is het, en Haslam gaat hier vreemd genoeg geheel aan voorbij, dat het Carr blijkbaar geen enkele moeite kostte zich te handhaven als commentator bij de London Times, de informele spreekbuis van het Foreign Office, waar hij sinds enige tijd werkzaam was. Het failliet van de appeasement had Carrs interesse in Duitsland intussen aanzienlijk verminderd.

Hij richtte zijn belangstelling nu op die andere totalitaire mogendheid: de Sovjet-Unie. Zowel uit zijn politieke journalistiek tijdens de oorlog als uit het wetenschappelijke werk dat hij in de decennia daarna schreef over Stalins Rusland sprak echter dezelfde mengeling van bijna moralistisch realisme en naïviteit.

Oppervlakkig beschouwd bleef E.H. Carr de `appeaser' die hij altijd was geweest. Waar hij eens Duitsland met bijna blinde welwillendheid tegemoet trad, toonde hij nu een overdreven begrip voor Ruslands vermeende belangen. Carr heeft altijd de grootst mogelijke moeite gehad om zich ook maar enigszins in te leven in de positie van de kleinere naties in oostelijk Europa. Hij beschouwde de onafhankelijkheid van de Oost-Europese landen na afloop van de Eerste Wereldoorlog als een `stap terug' in de `ontwikkeling naar een hogere beschaving' en zag uit naar de dag dat één van de grote mogendheden voldoende was hersteld om het Europese huis opnieuw `op orde te brengen'.

In het belang van de alliantie tegen Duitsland pleitte Carr er gedurende de Tweede Wereldoorlog voor de Russen `de vrije hand te geven in oostelijk Europa'. Hij voorzag zelfs een Brits-Russisch condominium over het continent. Carrs politieke opvattingen over Rusland, gestoeld op een vermeend realisme dat velen beschouwden als een hogere vorm van apologie, isoleerden hem in toenemende mate.

Hoe eenzaam Carr was, bleek toen hij kort na de oorlog de krant verliet en trachtte opnieuw een academische carrière op te bouwen. Hij was nergens welkom. Pas in 1954 kreeg hij een betrekking, aan het Trinity College in Cambridge. Zijn vermeende Sovjet-sympathieën vielen slecht op een moment dat de Koude Oorlog zijn schaduw wierp over de relaties tussen Oost en West.

In de tussentijd was hij begonnen aan wat zijn meest ambitieuze project zou worden: de eerste omvangrijke en gedetailleerde geschiedenis van de Sovjet-Unie. Het werd een obsessie. Meer dan dertig jaar lang heeft hij aan zijn levenswerk besteed. Het zou uiteindelijk vele duizenden bladzijden tellen. De geringe mate van sociale gevoeligheid die hij nog bezat, offerde hij er graag aan op. Hij moet een onuitstaanbare man zijn geweest, een voortdurende last voor zijn omgeving (die dan ook steeds minder omvangrijk werd).

Zijn geschiedenis van Rusland riep gemengde reacties op, net als zijn overig werk. Maar zelfs degenen die weinig sympathie koesterden voor de dikwijls impliciete waardeoordelen die aan Carrs analyses ten grondslag lagen, prezen diens historische vakmanschap. Het project is nooit geëvenaard. Er is geen universiteitsbibliotheek waar het niet in de kast staat. In een aantal opzichten heeft het zijn waarde altijd behouden, zelfs nu er vele malen meer materiaal toegankelijk is dan waarover Carr destijds de beschikking had.

Heersers

De veertien delen van A History of Soviet Russia hebben alle kenmerken van Carrs bijzondere kijk op de geschiedenis. Ze tonen zijn grote ontvankelijkheid voor macht, voor staatsmacht in het bijzonder. Heersers interesseerden hem; overheersten lieten hem koud. Carr is nooit een echte fellow-traveller geweest, maar hij was ongetwijfeld gefascineerd door revolutionair geweld en door het gebrek aan mededogen met de slachtoffers ervan. Carr was evenmin een communist, hoewel hij aanvankelijk met vele tijdgenoten meende dat het westen het een en ander kon opsteken van de economische planning in de Sovjet-Unie. Carr had een bijna exclusieve voorkeur voor de `winnaars' van de geschiedenis. `Verliezers' vond hij over het algemeen onbelangrijk en oninteressant. Ieder gevoel voor sociale geschiedenis was hem vreemd. Iedere twijfel over zijn benadering trouwens ook. `Zeker, ik neem aan dat ik vrij gemakkelijk aan de gruwelen, de wreedheden en aan de vervolgingen voorbij ben gegaan. Maar ik ben een historicus, geen politicus', schreef hij naar aanleiding van de kritiek op zijn geschiedenis van de Sovjet-Unie. `Ik zeg niet dat deze wreedheden niet verschrikkelijk waren. Maar ze zijn niet de zaken waarop men zich dient te concentreren als men wil doordringen tot de werkelijke betekenis van revoluties. Is het aantal slachtoffers langs de kant van de weg het belangrijkste criterium bij de beoordeling van de betekenis van het gemotoriseerd transport voor onze beschaving?'

Jonathan Haslam: The vices of integrity. E.H. Carr 1892-1982. Verso, 306 blz. ƒ100,-

    • A.W.M. Gerrits