Een ongenode gast

Saamhorigheid of cynisme, de herinnering aan de jaren zestig kent geen nuances. Een recent verschenen fotoboek van Richard Avedon bevestigt de mythe.

Televisiereclame. Voor een ijsco. Men ziet een soort mini-Kralingen, een aantal op een landje neergestreken hippies die rare dansje uitvoeren, en op de voorgrond geniet een langharige jongen van een ijsje. Zijn eveneens in bloemetjes gehulde vriendin vraagt om ook een likje. De jongen doet of hij niets hoort en geniet met geloken ogen verder. Het meisje deinst verschrikt achteruit. ,,Maar we zouden toch alles delen?' roept ze uit. Hoort hij haar wel? Het is duidelijk: haar wereld stort ineen, en zal blijven ineenstorten naarmate de jongen tot het eind van de commercial gelukzalig blijft doorlikken. Zo lekker is het ijsje.

Hoewel de reclame niet voor mij bedoeld is (ik eet geen ijs) en ik me er ook niet door aangesproken hoef te voelen (ik was nooit een hippie) voel ik toch een moeilijk te bedwingen knorrigheid opkomen. Wat wordt hier nu eigenlijk gezegd? Dat de neiging `alles te delen' een kenmerk was van de jaren zestig? Dat is onzin, maar als het nu eens wel zo was? Luidt dan de boodschap dat dat iets was voor losers, en dat pas een gezonde dosis egoïsme je tot een volwaardig kind van de huidige tijd maakt?

Dat laatste is vermoedelijk waar. Egoïsme is niets nieuws en maar heel weinig mensen vreemd; het was ook beslist niet afwezig in de jaren zestig - integendeel. Wat ook niet nieuw is, is de constatering dat de neiging ertoe in toenemende mate gemeengoed is geworden. Maar redelijk recent is de tendens dat alom te propageren en tot norm te verheffen; met het bedrijfsleven voorop, dat spreekt vanzelf, maar ook door overheid en media.

Toen Prins Bernhard in de jaren zeventig met zijn hand in de Lockheed-suikerpot werd betrapt was algemene verontwaardiging zijn deel; tegenwoordig zou hij met een vette knipoog worden aangemoedigd. Het moet ook in die tijd zijn geweest dat de afdeling educatie van de televisie de cursussen vreemde talen begon te vervangen door cursussen assertiviteit. Honderdduizenden kijkers leerden zwaar gesubsidieerd hoe ze een grote bek moesten geven en anderszins voor zichzelf opkomen. Nu, een kwart eeuw later, constateren we met verbazing dat het moeilijk is geworden mensen te vinden die voor weinig geld demente bejaarden willen wassen en verschonen, of lastige scholieren elementaire beginselen bij willen brengen.

,,Ik wou dat het eindelijk eens afgelopen was met die sixties', hoorde ik een leeftijdsgenoot laatst brommen. Hij moest er gelukkig vervolgens zelf om lachen, want natuurlijk is het een beetje debiele uitspraak, over een tijd die strikt genomen al meer dan dertig jaar achter ons ligt. Maar ik begreep wel wat hij bedoelde. De sixties (zoals de jaren zestig in toenemende mate ook in ons land genoemd worden) zijn iets als een ongenode gast die het vertikt weg te gaan; soms is het net een snotje of een klit die aan je kleren blijft hangen, een hinderlijke aanwezigheid. Iets dat de rust maar blijft dreigen te verstoren, in het gemoed eigenlijk nog meer dan in gezelschap.

De jaren zestig een tijd van `delen'? Wat een onzin. Het was eerder een tijd van extreme onverantwoordelijkheid, van het negeren van verantwoordelijkheden, zo lang die konden worden ingeruild voor euforie. Wie een tijd geleden op Kunstkanaal de documentaire over Velvet Underground-`zangeres' Nico zag, zal begrijpen wat ik bedoel. Het was een film waar ik geen genoeg van kon krijgen. Een glansrol was weggelegd voor de moeder van Alain Delon, die haar zoon nu al zeventien jaar (ten tijde van het maken van de documentaire, het moet nu veel langer zijn) niet had gezien omdat zij zo vermetel is geweest het jongetje op te voeden dat uit de kortstondige relatie tussen Delon en Nico voortkwam. Haar relaas was onvergetelijk. ,,Ik moest kiezen tussen mijn succesvolle zoon en dat hulpeloze schepseltje. Wat kon ik anders doen?' Ze had leren leven met deze breuk met `Delon', zoals ze haar zoon consequent noemde maar niet met de rol van de moeder, die eens in de zoveel jaar in Parijs opdook en dan als presentje een sinaasappel meebracht. ,,Une orange!!'

In later jaren zou Nico het educatieve en pedagogische initiatief hernemen, in voldoende mate om haar zoon hoogstpersoonlijk anzufixen. Ze hielp hem aan dezelfde heroïneverslaving waar ze zelf een paar jaar later aan zou bezwijken. Ik wil me graag laten overtuigen dat dit geen typisch jaren-zestig verhaal is, maar het zal enige overredingskracht kosten.

Bij het opmaken van de balans van de vorige eeuw zijn die jaren zestig weer zwaarder onder vuur komen liggen dan ooit. De verschijning van de roman Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq gaf extra aanleiding tot een discussie met veel onzuivere en zelfs uitgesproken onfrisse elementen. De neiging de periode als een bizarre uitstulping in de tijd te zien lijkt, naarmate het perspectief verlengt, sterker dan ooit, zoals ook de neiging die tijd eigenschappen en verantwoordelijkheden toe te dichten.

Dit alles verheldert de beeldvorming en het debat niet. In de Verenigde Staten droogt de stroom boeken over de sixties maar niet op, maar de neiging partij te kiezen vóór of tegen is blijkbaar onuitroeibaar. De argumentatie is symptomatisch voor een wederzijdse doofheid die met het verloop der jaren niet geneest. De culturele strijd die daar in de jaren zestig ontbrandde houdt het land nog steeds verdeeld, ik heb zelfs de indruk dat in de meest recente bijdragen de toon nog virulenter wordt.

Enerzijds overheerst de strekking dat de uitbarsting van toegeeflijkheid en tolerantie in die jaren het pad heeft geëffend voor kinderporno, rituele moorden en alles wat daar aan onsmakelijks tussenin ligt. Aan deze zijde van het debat vinden we niet alleen de post-babyboomers (zoals Houellebecq) die de jaren zestig alleen van horen zeggen kennen en die het sterkst zijn in generalisatie en negatieve mythevorming, maar ook die veteranen van die tijd die erna opzichtige tournures hebben gemaakt. De activisten die de barricaden hebben verruild voor optiebeurs, new-age gezoem of seksueel hedonisme. Meewarigheid en zelfrelativering zijn voor hen niet voldoende bij de aanblik van de beelden (dat haar, die kleren!) of het teruglezen van woorden van zichzelf (de revolutie, die om de hoek lag te wachten om uit te breken!): hoe hoger de torens waarvan ze toen bliezen, hoe dikker de muren van maatschappelijk cynisme waarachter ze zich nu verschansen.

Is de periode dus als grote boosdoener bestempeld in de hoofden van mensen met de behoefte aan een diffuus vijandsbeeld, van de andere kant worden de jaren zestig geromantiseerd als de laatste periode waarin idealisme nog een factor was, waarin energie nog werd aangewend voor andere zaken dan persoonlijk belang.

Maar helaas gebeurt dat dikwijls with a vengeance, op manieren die even weinig sympathie verdienen. Er zijn er teveel die simpelweg niet kunnen verkroppen dat de tijd veranderd is. Ze zijn `aangespoelde walvissen' geworden in de woorden van radiomaker Larry Josephson, en hun verzet tegen die verandering is de polemische variant van het proberen op rommelige landjes aan de rand van agglomeraties her en der de sixties na te spelen.

Acht jaar geleden maakte ik, min of meer bij toeval, in een winderig Golden Gate Park in San Francisco, de 25e verjaardag mee van de Summer of love (die even weinig echt heeft bestaan als het Ik-Tijdperk, of de Restauratie). Er werd slechte muziek gemaakt, er werd pathetisch gedanst, er werd slechte poëzie gedeclameerd, over Rock&Roll&Yin&Yang&Man&Woman... Iemand memoreerde de jaren zestig als a kinder, gentler time, een uitspraak waar ik, mits iets anders geformuleerd, niet veel moeite mee heb, maar toch moest ik bij mezelf het overheersende gevoel corrigeren van `hou nou toch op jullie, de tijden zijn veranderd.' Ik weet niet wat mijn humeur grondiger verpestte, dat gevoel of dat waardoor het werd opgeroepen. Wat ik wel weet is dat ik me in dat gezelschap even weinig op mijn gemak voel als in dat van de luidruchtige critici, wier argumenten geen hout hoeven te snijden omdat ze toch de tijdgeest mee hebben, en de lachers op hun hand (wie deelt er nou zijn ijsje?!)

Veel van het luidruchtige gepolemiseer brengt de uitspraak van William Faulkner in herinnering: The past is not dead; it is not even the past. Over Houellebecqs boek werd geschreven dat het een `afrekening met een tijd' was. Afrekening met een tijd... Ik weet niet goed wat ik me daar bij moet voorstellen. Hoe kun je afrekenen met een tijd? Door te doen alsof hij niet bestaan heeft? Door de tijd allerhande onfrisse eigenschappen toe te dichten? Maar hoe zou dat in vredesnaam mogelijk zijn? De tijd is nergens verantwoordelijk voor, van de sixties kun je strikt genomen niets meer causaals opmerken dan dat ze voortvloeiden uit de harkerige, oorlogszuchtige jaren vijftig en overgingen in de zelfzuchtige jaren zeventig. Twee periodes die, als men toch gaat abstraheren, in mijn herinnering veel onaangenamer na-echoën dan de jaren zestig.

Het debat houdt inderdaad nooit op, maar de kwaliteit ervan degenereert, in plaats van er beter op te worden. Het is een discussie van trefwoord versus trefwoord, van signaal versus signaal, in plaats van argument versus argument. Zeker geen bijdrage aan een wat genuanceerder beeldvorming kan in elk geval gehaald worden uit het curieuze fotoboek The Sixties van Richard Avedon, dat enkele maanden geleden verscheen. Toen ik het zag, dacht dat het al decennia oud was en nog steeds lijkt me niet goed te verdedigen waarom dit boek nu, alsnog, verschenen is. Dat komt omdat Avedon evenmin als Doon Arbus, (die verantwoordelijk is voor de begeleidende teksten) ook maar iets aan reflectie wenst te doen. Waarom dat zo is? Misschien wel juíst omdat al die reflectie alleen maar flarden mist over het veld doet trekken in plaats van voor opheldering te zorgen. Maar op deze manier gepresenteerd geeft het geheel een merkwaardig gevoel van misplaatstheid. Het zijn foto's die in die tijd gemaakt zijn, van rockmuzikanten, Vietnam-correspondenten, activisten, radiomakers en ze dragen allemaal Avedons onmiskenbare, geposeerde stempel. Witte achtergrond, soms de instructie recht in de lens te kijken, meestal juist niet. Er is een irritante nadruk op de kliek rond Andy Warhol, er is een even irritante hoeveelheid uitgesproken lelijk bloot. Alleen maar hier en daar is er grafisch getruct (met Sly Stone en andere muzikanten) maar dat zijn nu juist de foto's die achterhaald lijken: de simpele documentaire aanpak heeft de meeste kracht bewaard.

Ook de teksten van Arbus (dochter van wijlen Diane) zijn onaangetast uit die tijd overgeheveld en roepen een nog veel groter gevoel van `waarom' op. Wat Tuli Kupferberg en John Steinbeck jr. toen uitbrachten was in de tijd zelf al onzin, dus wat heeft het voor zin dat meer dan dertig jaar later nog eens op koffietafelformaat te reproduceren?

Dat wil allemaal niet zeggen dat er geen meesterlijke foto's te bewonderen zijn: het portret van de drie moeders van de vermoorde Civil Rights-activisten Schwerner, Chaney en Goodman bijvoorbeeld, heeft een enorme documentaire kracht - de twee blanke, moreel bevlogen dames terzijde, de veel armoediger zwarte moeder ertussen in, verbijsterd haar tasje vastklampend in een blijkbaar nog maar net inzakkend besef dat haar zoon onherroepelijk dood is. Dat geldt ook voor de portretten van de Vietnamese napalm-slachtoffers, leprozen en tijgerkooi-gevangenen. Dit alles is nu, geïsoleerd en in hun extreem steriele stilering, ook nog schokkend.

Er zijn fotografen die het hele verhaal in één beeld proberen te vangen, maar Avedon behoort daar niet toe; hij wil niet alles voor zichzelf laten spreken, Avedon is op zijn best als hij de kijker zelf laat invullen, als hij enig historisch besef kan vooronderstellen.

De enige reflectie blijkt uit de weinige recente foto's, drie om precies te zijn: van de ziedende blik van voormalig racistisch gouverneur George Wallace van Alabama, in 1993 met zijn zwarte bediende; van een aan kanker stervende Frank Zappa en, natuurlijk, van Bob Dylan, die als enige van de in de jaren zestig gefotografeerden in 1997 ook een nawoord mag toevoegen. Hij mijmert over het gevoel van community dat mensen over het hele Amerikaanse continent toen met elkaar verbond en dat nu verdwenen is. ,,I don't know what destroyed it', zegt hij in een typerend, verwarring stichtend statement. ,,Some people say it's still there. I hope it is. I know, in my mind, I'm still a member of a secret community. I might be the only one, you know?'

Richard Avedon and Doon Arbus, The Sixties. Uitg. Jonathan Cape, 235 pag. Prijs ƒ 152.

Egoïsme was niet afwezig in de jaren zestig - integendeel

    • Jan Donkers