Een geilneef of een masochist

Een paar jaar geleden schreef Th. van Os in zijn debuutbundel Beurtzang (1996): `Een goede beurt is ook een goed gedicht'. Hij leek daarmee te willen zeggen dat schrijven over opwinding vanzelf tot opwindende verzen leidt. Ook Berliner Lullaby (1997) was gewijd aan liefde en erotiek. In negen hoofdstukken bedichtte hij de herenliefde, zoals bedreven in sauna, darkroom, slaapkamer, wc, of gewoon op straat. Daarin kwamen ook de tragiek en de treurnis van het homo-erotische bedrijf aan bod. Zijn eerste roman, Zonde van begeerte, is eveneens aan de wulpse kant. Zoals de titel al suggereert, valt ook hier niet alleen te genieten. Opwinding gaat hand in hand met neerslachtigheid, wellust met vernedering. De Amsterdamse toerist Chris de Vries mag dan in het Braziliaanse stadje Ouro Escuro regelmatig kreunend aan zijn gerief komen, maar hij zal zijn vele escapades met misdienaren uiteindelijk moeten bezuren. Tijdens de retourvlucht, waarvan wij halverwege de roman al een voorproefje krijgen, verzucht hij dat hij niet naar huis wil, maar terug naar Brazilië, `toen het nog niet gebeurd was'. Aan het eind van de roman wordt het hoe en wat van zijn malheur onthuld.

Wat Van Os met deze studentikoos aandoende schelmenroman wil vertellen of aantonen, is mij een raadsel. Hij lijkt ermee in de voetsporen te willen treden van het smeuïge realisme van Ronald Giphart, maar dan in het homoseksuele, al heeft Giphart een aanzienlijk soepeler hand van schrijven. De seks die hij zijn hoofdpersoon met Jan en alleman laat bedrijven, is eigenaardig liefde- en vreugdeloos en heeft een hoog darkroomgehalte. `Zijn lul dringt ruw bij me naar binnen', heet het over een apothekersbediende, die hem heeft verleid tot een snelle wip. `Koud prikken de knopen van zijn gulp tegen mijn kont'. Het gaat hem allemaal `veel te rauw en te haastig', maar hij laat het toch maar gebeuren.

Hoe wij deze Chris – of Antônio of Francisco zoals hij ook genoemd wordt – moeten zien, wordt niet duidelijk. Zoals het ook niet duidelijk wordt wat hij in Ouro Escuro te zoeken heeft. Is hij er alleen als toerist, of wil hij meer? Is hij een slaaf van zijn begeerte of een levensgenieter? Is hij een geilneef of een masochist? Van Os laat alles maar zo'n beetje in het midden. Zijn Chris lijkt wel wat te willen, maar hij weet niet wat. Hij hangt wat rond in het huis van zijn priesterlijke gastheer, ontwikkelt vrijblijvende ideetjes over politiek en theologie, rijkdom en armoede, blesseert zich tijdens een van zijn vrijages aan zijn knie en mijmert mismoedig over Sebastiaan, patroonheilige van mannen `die hun mond openen voor een hostie die naar pis smaakt, die buigen voor de scepter van een onbekende toevallige God'. Dingen die hijzelf ook doet, met Guilhermo, Chico, Domingos, Rubim, Tomás, Eduardo en Joo, onder het motto `als je een jongen leuk vindt, pak hem dan meteen bij zijn ballen.'

Van het katholicisme maakt Van Os veel werk. Misschien is dat wel het enige echte thema van de roman: de manier waarop katholieke geestelijken, met de nodige roomse gluiperigheid, hun homo-erotische verlangens in het reine weten te brengen met de celibataire en zedelijke voorschriften. Waar seks voor Chris niet meer is dan seks, weten zij de `zonde van begeerte' te sublimeren tot een vorm van religie. Ofwel, zoals misdienaar Joo het uitdrukt, de zaadlozing te zien `als een bliksem op de weg naar Damascus'.

Dat de roman weinig opwindend is, alle pikante scènes en zaadlozingen ten spijt, moet ook te maken hebben met de stijl, die de aandacht nog wel eens wil afleiden. Zijn metaforen (`Toen draaide hij zijn huilen als een kraan dicht') en zijn woordkeuze (`het schrillen van de wekker') doen vaak wat geforceerd aan. Zijn omslachtige taalgebruik wekt de suggestie van diepe gronden en hevige gevoelens, maar laat vooral een pijnlijk gebrek aan helderheid zien. Wat Van Os veel beter in beeld had moeten brengen is de existentiële of psychische nood van een man die op zoek is naar een doel, een bestemming of een verband. Maar wat hij over ons uitstort zijn grote woorden, die meer verhullen dan openbaren. `Ik liep naar de trappen van het monument om daar te gaan zitten en me mee te laten drijven op die melancholie', zo verzucht zijn hoofdpersoon, en daar had hij het beter bij kunnen laten. Maar hij voegt er nog het een en ander aan toe dat zijn gedachtegang er niet doorzichtiger op maakt: `ook al wist ik dat die een ondertoon had van wensen en behoeften die zich niet uit konden drukken, maar zich op deze momenten lieten vermoeden als een schaduw van gemis in de wetenschap dat er meer mogelijkheden bestaan dan de toevallige omstandigheden kunnen verwerkelijken.'

In bijna driehonderd bladzijden werkt Van Os vooral toe naar de grote apotheose: een Corpus Christi-processie, gevolgd door een diner voor de bisschop, de priesters en de misdienaars. Als er genoeg gedronken is, komt de ontlading: men vergrijpt zich aan elkaar, op en onder de tafel. Voor de lezers die er dan nog niet genoeg van hebben, levert dat nog enkele opwindende momenten op. Maar het is dan allang duidelijk dat de beschrijving van twintig of dertig goede beurten niet vanzelf een goede roman oplevert.

Th. van Os: Zonde van begeerte. De Arbeiderspers, 296 blz. ƒ36,90

Nederlandse literatuur

    • Janet Luis