`Dichten maakt het soms erger'

Piet Gerbrandy neemt graag afstand van de moderne tijd. Dood en liefde, daar gaat het om. Zijn poëzie werd genomineerd voor de VSB-poëzieprijs.

`Het is het beste dat u nog even bij mij langskomt om erover te praten', schrijft Piet Gerbrandy in zijn essaybundel Boeken die ertoe doen. `Ik woon buiten de Randstad, vlak bij een beek. Alleen cicaden hoor je hier zelden.'

Dit retorische slot van een artikel over Plato's dialoog Phaidros mag dan geen persoonlijke uitnodiging zijn, er is genoeg reden om de dichter-classicus Gerbrandy op te zoeken. Niet alleen joeg hij met de onconventionele meningen in Boeken die ertoe doen vele collega-classici tegen zich in het harnas, en begon hij als leraar Latijn en Grieks een campagne tegen de deplorabele staat van het klassieke-talen onderwijs; ook werd zijn tweede dichtbundel Nors en zonder haten onlangs genomineerd voor de VSB-poëzieprijs, die komende week wordt toegekend en op 8 juni zal worden uitgereikt.

Cicaden hoor ik inderdaad niet wanneer ik in Winterswijk naar het huis van Gerbrandy loop, een beek evenmin. Maar zijn Jugendstil-pand, luisterend naar de naam Aurora, staat in een boomrijke straat en alleen het gefluit van vogels doorbreekt de stilte. Het is de ideale habitat voor een man die in zijn gedichten – op een onalledaagse manier – het landleven bezingt, en die zich naar eigen zeggen verre houdt van alles wat vlot en modern is: ,,Je staat hier dichter bij de aarde, bij het weer; je bent minder afhankelijk van tweedehands emoties die je gedicteerd worden door reclame en etalages. Ik denk dat ik in de stad niet zou kunnen wonen, laat staan dichten.''

Toch is de rechterszoon Piet Gerbrandy (1958) geen geboren en getogen Achterhoeker. Hij groeide op in de Randstad, ging in Arnhem naar het gymnasium, studeerde klassieke talen en vergelijkende taalwetenschap in Leiden, en verliet zijn woonplaats Amsterdam wegens de ,,stadse drukte en viezigheid'' om leraar te worden in Groenlo. Dichter durft hij zich te noemen sinds zijn debuutbundel Weloverwogen en onopgemerkt, die in 1997 werd bekroond met de Van der Hoogt-prijs.

Gerbrandy's verzen zonder eindrijm zijn compact tot in het komische (`Tuit ook uw oor? Werd/ ook uw loer gedraaid of/ moer genaaid? Zo niet/ dan komt dat nog') en nauwelijks vergelijkbaar met die van andere dichters. Voor een latinist gebruikt hij opmerkelijk weinig woorden van niet-Germaanse herkomst: gemiddeld minder dan één per gedicht. Want Gerbrandy wil aardse poëzie schrijven: ,,Anti-intellectueel, met de handen in de klei, wars van modernismen. Mijn poëzie is die van het zand en de regen en de bomen, niet die van opties en apestaartjes.''

Binnenschipper

Nors en zonder haten heet Gerbrandy's genomineerde bundel, en het voorkomen van de dichter lijkt daarop aan te sluiten: het postuur van een binnenschipper, een minimum aan hoofdhaar en een imposante jaren-dertigsnor die de genen verraadt van zijn grootvader Pieter, minister-president gedurende de Tweede Wereldoorlog. De schijn bedriegt, zoals meestal. Gerbrandy (getrouwd, twee kinderen) is een vriendelijke prater, met een zachte stem, die eerder een verlegen dan een norse indruk maakt. In weerwil van zijn ruige poëzie, waarin krioelende organen, kranige rukkers en ronkende kadavers hun opwachting maken, noemt hij zich een volbloed romanticus, ,,omdat ik vind dat het in poëzie om de grote gevoelens moet gaan, en omdat ik een tegenstrijdig mens ben. Wat is er romantischer dan het conflict? Op papier is er de spanning tussen mijn hang naar strakke vormen en mijn wil om uit de band te springen; inhoudelijk gaat het om de verscheurdheid van iemand die én een monnik wil zijn én een free-jazzmuzikant op een metrostation.''

Uw poëzie gaat over etter en ontbinding, `troebel zaad' en `humorloze ergte'. Is de wereld desolaat, onsmakelijk en onleefbaar – en moet er daarom gedicht worden?

,,Er moet helemaal niet gedicht worden, dichten maakt het soms zelfs erger. Maar dat neemt niet weg dat de poëzie mij helpt om een bolwerk op te richten tegen de boze wereld: gedichten zijn een soort cyclopische muren. Het leven is een voortdurend gevecht, tegen de wanhoop, de angst, de zinloosheid, kortom tegen de demonen. Daar moet je je tegen wapenen. Als je niet je best doet, wordt het helemaal niks.''

Dood en vergankelijkheid zijn des dichters mooiste thema's?

,,Liefde is ook geen gek onderwerp. Maar ik zit nu eenmaal zo in elkaar dat ik iedere minuut van de dag bezig ben met dood en vergankelijkheid, zoals andere mannen iedere drie minuten aan seks denken – wat ik trouwens ook doe. Het belangrijkste is dat je niet over bijzaken en flauwekul dicht; de dagelijkse werkelijkheid is al erg genoeg, die moet je niet gaan verdubbelen door er gedichten over te schrijven. Te veel jonge dichters zoeken aansluiting bij het moderne leven omdat ze leuk willen overkomen. Dat leidt tot flauwe grapjes, denk maar aan Ingmar Heytze die Koplands `Jonge sla' parodieert. Als een gedicht alleen om te lachen is, is het overbodig – amusement is moeilijk verenigbaar met poëzie. Dat betekent niet dat humor taboe is, daarvoor hoef je alleen maar de gedichten uit Reves Nader tot u te lezen, of de aangrijpende humor van Frank Koenegracht. Bij goede poëzie moet je het gevoel krijgen dat ze geschreven moest worden, er moet woede uit spreken, emotie; je mag nooit doen wat anderen ook doen, en je moet je hoeden voor overbodig gelul, voor regels die weggelaten hadden kunnen worden.''

Bloem

In Boeken die ertoe doen brengt Gerbrandy, sinds een paar jaar ook poëziecriticus van de Volkskrant, dichters onder in vier categorieën. Er zijn er die thematisch toegankelijk dichten en gebruik maken van een strakke, `gesloten' vorm, zoals J.C. Bloem en Jean-Pierre Rawie. Er zijn toegankelijke dichters die werken met vrije, `open' verzen, zoals Remco Campert en Leo Vroman. Er zijn ontoegankelijke en open dichters als Lucebert, en ontoegankelijke en gesloten dichters van het type Faverey. Tot die laatste categorie rekent de in jamben en dactylen dichtende Gerbrandy zichzelf, al beklemtoont hij dat veel dichters zich van de ene naar de andere categorie ontwikkelen. In een geestig essay over de notoir moeilijke oud-Griekse odendichter Pindarus toont hij zelfs aan dat ook de verschillende manieren waarop een dichter in de loop der tijden gelezen wordt hem van de ene in de andere categorie kunnen doen belanden.

Gerbrandy: ,,Weinig dichters zijn puur ontoegankelijk; iedere tekst wordt begrijpelijker naarmate je je erin verdiept. Maar om echt toegankelijk te schrijven moet je van tevoren weten wat je gaat vertellen én vreselijk veel te melden hebben, en dat pretendeer ik niet. De dichtregels komen spontaan in mij op, bij voorkeur als ik door de bossen naar Groenlo fiets, en zelfs als ik zou proberen om ze daarna in gewone spreektaal op te schrijven dan zou dat me niet lukken.

,,Ik zou het liefst poëzie schrijven die `open' is, maar ook daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd. Als ik niet-metrisch probeer te schrijven, me laat meeslepen, dan schrap ik even later toch weer alle franje en wildheid eruit. Ik speel saxofoon en weet dus hoe moeilijk het is om niet in een bepaald akkoordenschema te spelen. De open structuur is weggelegd voor de groten: Ouwens, Ter Balkt, Lucebert. En Claus natuurlijk, die zich nergens voor geneert. Hij lult maar raak, maar het is ook bijna altijd raak.''

`Klopt onweer aan de kim? Heul onder hoed' luidt het begin van een van uw gedichten. Worden ontoegankelijke verzen niet al gauw cryptogrammen?

,,Nee, want je moet niet uit het oog verliezen dat een cryptogram altijd maar één uitkomst heeft. Een gedicht is juist een raadsel met verschillende oplossingen. Ik ben geen Alexandrijnse dichter, die moeilijk schrijft om geleerd te lijken; ik wil niet alleen begrepen kunnen worden door klassieke genieën als Paul Claes. Maar vreemde constructies en bijzondere woorden zijn me dierbaar – je moet de schoonheid van het Nederlands gebruiken, of je die nu vindt in het regionale idioom of in de gedichten van mijn geliefde negentiende-eeuwer Bilderdijk. Mijn taal doet archaïsch aan, en dat bevalt me, het is ook een manier om afstand te nemen van de moderne tijd.''

Bent u als dichter beïnvloed door uw studie van de oude talen?

,,Thematisch niet, maar je zou kunnen zeggen dat mijn hang naar compactheid erg Romeins is. Of is het andersom en ben ik classicus geworden omdat ik van de beknoptheid van het lidwoordloze Latijn houd? Hoe dan ook hecht ik aan de klassieke versvormen. Een gedicht klopt pas als het ritme goed is, en ik ben na 25 jaar Homerus nu eenmaal vertrouwd met de hexameter.''

Kwezel

Net als zijn dichtende collega Ilja Leonard Pfeijffer profileert Gerbrandy zich ook als een classicus met controversiële meningen. In het voorwoord van Boeken die ertoe doen noemt hij de klassieke canon `een zorgvuldig in stand gehouden mythe' en pleit hij voor een `ergocentrische' benadering van de Latijnse en Griekse literatuur: wat telt is niet de reputatie van de schrijver, maar de mate waarin je door een tekst geraakt wordt. En zo is voor Gerbrandy Sophokles een kwezel, Cicero een opschepper, het werk van Livius een verschrikking en de Aeneis van Vergilius niet om door te komen. Dat hij tegen heilige huisjes trapt weet hij, en ja: `een classicus die afgeeft op Vergilius, dat is een blinde die kankert op Braille.' Gerbrandy heeft ook niet de illusie dat hij met zijn boek de canon aan kan passen; maar, zo vindt hij, je moet niet napraten.

,,In De klassieke canon van de classicus en vertaler Hein van Dolen, dat ter gelegenheid van de Boekenweek 2000 verscheen, worden alle oude clichés weer eens opgelepeld. Classici zijn geneigd om iedere snipper van een klassieke auteur heilige status te geven, dat leidt tot misplaatste eerbied voor schrijvers die ook maar gewone jongens waren. De zogeheten homerische hymnen, totaal onbeduidende gedichten, worden door Van Dolen uitgebreid behandeld, terwijl je vergeefs zoekt naar Propertius. Bij de ependichters kun je natuurlijk niet om Vergilius heen, maar waar is Lucanus, die een lang gedicht over de Burgeroorlogen schreef? En bij de redenaars hoor je wel de eeuwige verhalen over de kiezels van Demosthenes en de filippica's van Cicero, maar niets over Quintilianus, de geestigste schoolmeester die Rome ooit gehad heeft. Het lijkt erop dat wie niet in het Nederlands vertaald is, er in Nederland niet bij hoort.''

U werkt zelf aan een vertaling van het werk van Quintilianus. Vindt U dat er in Nederland niet genoeg goede klassieke vertalers zijn?

,,Er verschijnen goede uitgaven, maar er zijn vertalers die naar mijn idee voorbij gaan aan de essentie van de klassieke literatuur. Hein van Dolen bijvoorbeeld, vertaalt niet maar bewerkt; bij hem moet het altijd leuk zijn. Hij onderschat de waarde van het origineel, dat hem kennelijk niet vlot genoeg is. Wat hij heeft gedaan met Herodotus, en wat Imme Dros doet met Homerus, is de boel platmaken. Het andere uiterste zijn de Ovidius- en Vergilius-vertalingen van mevrouw D'Hane Scheltema, die de neiging heeft om de harde kantjes van het origineel af te halen, zodat het allemaal wat braaf wordt. Stijl is het belangrijkst in de literatuur: de zinsbouw en de toon, die moet je trouw blijven.''

De door u gewraakte vertalingen worden goed verkocht. Is dat een reden voor de pessimistische toon in het voorwoord van uw essaybundel?

,,Nee hoor, vertalingen doen nog altijd meer goed dan kwaad. Als er één instantie bezig is om de klassieke cultuur in Nederland om zeep te helpen dan is het het Ministerie van Onderwijs. Onlangs is het aantal uren voor Latijn en Grieks teruggebracht van 5 naar 3 uur, en ik moet zelfs klas vijf en zes tegelijk lesgeven. Met zo'n rooster kun je de oude talen niet goed leren; de teksten worden te moeilijk, het vak is niet leuk meer en verliest zo zijn bestaansrecht.''

Hoe erg is het als over 100 jaar niemand meer Latijn en Grieks kent, zoals u voorspeld hebt in een ingezonden stuk in de Volkskrant?

,,De klassieke talen hebben misschien geen nut, ze hebben wel zin. Het is algemeen vormend onderwijs. Vertalen is de perfecte voorbereiding op wetenschappelijk denken: anders dan bij wis- of natuurkunde kun je al op de middelbare school tot de bodem van het vak komen. Filologie is een uitdaging aan de oppervlakkigheid – net als goede poëzie.''

Piet Gerbrandy: Nors en zonder haten. Gedichten. Uitg. Meulenhoff, 70 blz., ƒ 29,90.

Boeken die ertoe doen. Over klassieke literatuur. Uitg. Meulenhoff, 270 blz., ƒ 29,90.

`Mijn poëzie is die van het zand en de regen, niet die van opties en apestaartjes'

`Claus lult maar raak, maar het is ook bijna altijd raak'