De vergunning, het toezicht en het bedrijf

Nu de doden en vermisten in Enschede zijn geteld, is de vraag naar de verantwoordelijkheid aan de orde. Een tussenbalans.

Ongeval of brandstichting – zes dagen na de verwoestende explosies in Enschede staat de oorzaak niet vast. Maar ook als er brand is gesticht voordat S.E. Fireworks ontplofte, dan nog valt de voorlopige balans van de gang van zaken vóór de vuurwerkramp niet zonder meer positief uit voor burgemeester J. Mans, brandweercommandant A. Groos, de directeuren R. Bakker en W. Pater, en – op enige afstand – minister F. de Grave van Defensie. Want daarvoor laat de informatie van de afgelopen dagen over de vergunning, het toezicht en de bedrijfsvoering te veel vragen open.

Eerst de vergunning, primair de verantwoordelijkheid van de gemeente. Drie jaar geleden werd de Hinderwetvergunning (uit 1976) omgezet in een `revisievergunning' krachtens de Wet Milieubeheer. Die werd in juli 1999 vervangen door een `veranderingsvergunning', eveneens Wet Milieubeheer. Daarbij ging het om een uitbreiding van 3 naar 14 zeecontainers, een verhoging van de hoeveelheid vuurwerk per box of container en een beëindiging van het werken met ,,de zwaardere klassen vuurwerk in de werkruimte''.

In de revisievergunning golden voor de 3 containers extra veiligheidseisen (brandwering, houten deuren en onderlinge afstand minimaal 1 meter). In de nieuwe vergunning ontbreken die. Zij werd dus vorig jaar niet alleen verruimd, maar ook versoepeld. Dat is des te opmerkelijker omdat onderzoeksinstituut TNO in 1997 juist concludeerde dat standaard zeecontainers ,,niet geschikt'' zijn voor de opslag van vuurwerk. Burgemeester Mans liet daags na de explosies weten dat er ,,niks mis'' is met de vergunningen, maar de nieuwe vergunning raakt wel zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid.

Dan het toezicht op de naleving van de voorschriften. Dit ligt bij de gemeente, de politie, de brandweer en de Koninklijke Landmacht (Defensie). Voor de vuurwerkbranche draait het vooral om beide laatste instanties. De brandweer kreeg vorig jaar van de provincie Overijssel het advies ,,gezien het speciale karakter van deze opslagen en de risico's voor de brandweer'' een zogenoemd aanvalsplan voor brand bij S.E. Fireworks te maken. Zo'n plan bevat essentiële gegevens over inrichting en inboedel. De brandweer had geen aanvalsplan. Experts noemen dat ,,een blunder'', in de eerste plaats van brandweercommandant A. Groos, en omdat diens korps ressorteert onder de gemeente, raakt deze kritiek ook de burgemeester.

De Koninklijke Landmacht, in casu het Bureau Adviseur Milieuvergunningen (BAM), heeft bij vuurwerk een tweeledige taak: adviseur (van de gemeente) en toezichthouder. Landmachtmajoor W. Ceelen van BAM onthulde deze week dat hij vorig jaar de veiligheidseisen liet vieren omdat het ,,een tijdelijke zaak'' was. ,,Fireworks zou binnen enige jaren toch verhuizen uit de woonwijk.'' Na de versoepeling van de vergunning heeft ook geen ,,grondige'' controle meer plaatsgehad, zei wethouder E. Helder van de week. Dat valt te begrijpen als de toezichthouder de adviseur een handje helpt. Maar het is de vraag of die dubbelrol onder politieke regie van minister De Grave gewenst is.

Tenslotte S.E. Fireworks zelf, onder leiding van R. Bakker en W. Pater. Beiden houden zich sinds de calamiteit schuil, niet alleen voor de buitenwereld, ook voor politie en justitie. Dat komt slecht uit, want ze kunnen een boel vragen beantwoorden: over de vergunning, de containers, de voorraden (los kruit?, titanium?), de vuurwerkmontage en de kritiek van derden. Zeker, tussen schuld en schijn zit een groot verschil, maar een directie die weigert rekenschap af te leggen heeft, mild gezegd, de schijn tegen.

Resumerend: een soepeler vergunning, ontoereikend toezicht en een twijfelachtige bedrijfsvoering – het lijken bij elkaar precies de attributen voor een riskant spel met vuur, ook voor het bestuur.

    • Joop Meijnen