De tijd van Jan Salie

De industrialisatie van Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw bleef sterk achter bij de omringende landen. Een nieuwe studie toont aan dat dit tijdperk van Jan Salie toch niet zo'n zwarte periode van kommer en kwel is geweest als lange tijd werd aangenomen.

Vanaf het moment dat Potgieter met Jan Salie het arche-type van de Nederlandse arbeider uit de eerste helft van de negentiende eeuw ten tonele voerde, duurde het lang voordat er weer iets positiefs over dit tijdvak gemeld werd. Jan Salie – en via hem de Nederlandse arbeider in het algemeen – werd omschreven als een lange slungel met doffe ogen en een meelgezicht, als `de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen ten onzent'. Ook het beeld van de Nederlandse ondernemer in de literaire werken uit deze jaren, van bijvoorbeeld Hildebrand, was weinig positief: een couponknippende, in kamerjas gehulde en op pantoffels rondsloffende man waar de lethargie van afstraalde.

Het duurde tot na het einde van de Tweede Wereldoorlog voordat de negentiende-eeuwse economische ontwikkeling in Nederland serieus de belangstelling van historici trok. Voor die tijd werd aan met name de plaats en betekenis van de industrie slechts minimale aandacht besteed. Na 1945, toen er in het kader van de wederopbouw een actieve politiek van industrialisatie werd gevoerd, nam ook in economisch-historische kring de belangstelling voor industriebevorderende en -remmende factoren toe.

De onderzoekers van het eerste uur waren het over één punt roerend met elkaar eens: de eerste helft van de negentiende eeuw was een periode van stagnatie en stilstand. Zowel in vergelijking met de eigen roemruchte Gouden Eeuw als met de gang van zaken in de ons omringende landen, liep Nederland een achterstand op. Waarover de historici met elkaar van mening verschilden was de verklaring van deze situatie. Brugmans zocht de oorzaak in eerste instantie bij de fabrikanten zelf. Zij zouden een afkeer hebben gehad van nieuwigheden, zoals de invoering van de stoomkracht en de mechanisering, waardoor zij de concurrentie met de buitenlandse producenten niet aankonden.

Tegen dit beeld rees al snel de nodige kritiek. Anderen, zoals Van Dillen en Wieringa, voerden aan dat, naast de `psychische factoren', ook tal van `omstandigheden' een rol speelden bij de verklaring van de stagnatie. Met name de langetermijngevolgen van de ondergang van de stapelmarkt tijdens de Bataafs-Franse periode (1795-1813) speelden in hun verhaal een belangrijke rol. Na enige decennia eindigde dit debat in een patstelling, mede omdat J.A. de Jonge – destijds medewerker bij het CBS – de schijnwerper op een geheel ander issue richtte.

In zijn baanbrekend proefschrift uit 1968 presenteerde hij een geheel nieuwe periodisering van de negentiende-eeuwse economische geschiedenis van Nederland. Hij maakte aannemelijk dat het industriële groeiproces in Nederland pas in het tijdvak 1890-1910 op gang kwam. In deze periode werd het industrialisatieproces dynamisch van aard, terwijl door verspreiding van de nieuwe technieken over een aantal bedrijfstakken de ontwikkeling een veelzijdig karakter kreeg. Lange tijd leunde het historisch onderzoek op dit standaardwerk.

Pas in de jaren tachtig kwamen er weer de eerste dissidente geluiden. Uitgerekend in de jaren waarin Nederland met ernstige economische problemen te kampen had – hoge werkloosheid, enkele traditionele sectoren die in amper een decennium tijd geheel waren weggevaagd – werden vraagtekens gezet bij het primaat van de industrie. Terwijl men in de jaren zestig er nog heilig van overtuigd was dat industrialisatie een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling was, was dit geloof in de jaren tachtig aanzienlijk afgezwakt.

In het kielzog van het veranderde tijdsbeeld werd ook de historische vraagstelling anders. Al snel volgde de rehabilitatie van de eerste helft van de negentiende eeuw. Deze tijd zou niet zo'n zwarte periode van kommer en kwel zijn geweest als lange tijd werd aangenomen.

Dat blijkt onder andere ook uit de recent verschenen studie van Michael Jansen, die deel uitmaakt van het grote onderzoeksproject `Reconstructie van de Nationale Rekeningen in Nederland, 1800-1940'. In De industriële ontwikkeling in Nederland 1800-1850 worden slechts die takken van nijverheid uitgebreid besproken waarvan de foutenmarge heel gering is. In afzonderlijke hoofdstukken komen de metaalnijverheid, de textielnijverheid, de voedings- en genotmiddelenindustrie en enkele overige takken van nijverheid (de papier-, leer- en meekrapnijverheid) aan bod.

In Nederland kwam de mechanisatie maar traag op gang: in 1852 waren er 171 stoommachines geplaatst, waarvan meer dan de helft van buitenlandse makelij. Dit rechtvaardigt echter niet de (in het verleden wel getrokken) conclusie dat de metaalnijverheid in ons land in deze periode onbeduidend was. Jansen laat zien dat de structuur van de metaalnijverheid in de eerste helft van de negentiende eeuw veranderde en dat het metaalverbruik sterk toenam. Hij schrijft dit voor een deel toe aan de geleidelijke vervanging van `hout' door `ijzer'. Daarnaast laat hij zien dat de vergrote vraag naar metalen producten voor een belangrijk deel met behulp van traditionele productietechnieken kon worden opgevangen.

Uit de beschrijving van de andere bedrijfstakken blijkt steeds weer dat de kleinschalige, op de binnenlandse markt gerichte nijverheid het karakter van de Nederlandse industrie bepaalde. De meeste van de vroeg negentiende-eeuwse industrieën waren in de eerste plaats verzorgend. Hierdoor richtte deze nijverheid zich op de omvang van de Nederlandse bevolking en minder op nieuwe groeimarkten.

Ter verklaring van het trage, maar gestage veranderingsproces in de Nederlandse nijverheid kan gewezen worden op drie factoren. In de eerste plaats speelde in Nederland, sterker dan in de ons omringende landen, de economische erfenis van de zeventiende eeuw een rol. Nauw samenhangend met de bloei van de handel en scheepvaart, was in deze jaren een florerende trafieknijverheid opgekomen. Trafieken waren takken van nijverheid die grondstoffen uit het buitenland betrokken en met behulp van ambachtelijke kennis kwalitatief hoogwaardige eindproducten voor de export produceerden. In de zeventiende en tot ver in de achttiende eeuw waren deze productietechnieken dermate verfijnd dat de producten op de binnen- en buitenlandse markt weinig concurrentie ondervonden. In het begin van de negentiende eeuw was het voor ondernemers die gespecialiseerd waren in de productie van luxe kwaliteitsproducten (zoals het Zaanse schrijfpapier, het handgeschilderd Delfts aardewerk, het laken uit Leiden of de kandij uit Amsterdam), beter om de bestaande ambachtelijke productiemethoden te verfijnen, dan deze te vervangen door modernere machinale technieken.

In de tweede plaats kampten Nederlandse ondernemers, in vergelijking met het buitenland, met hoge kosten voor machinale productie. Het ontbreken van grondstoffen en voldoende opgeleide vaklieden, een niet toereikende infrastructuur en hoge lonen zorgden ervoor dat traditionele technieken tot ver in de negentiende eeuw de voorkeur genoten. Ondernemers die in de eerste helft van de negentiende eeuw toch met behulp van stoommachines tot massaproductie overgingen, moesten in veel gevallen bakzeil halen. Jansen werkt enkele voorbeelden uit: zo verloren onder meer een maalderij, een papierfabriek, een kopermolen en een suikerfabriek die stoomkracht invoerden de slag met de `traditionele' concurrentie. Het duurde lang voordat de stoommachines dusdanig geperfectioneerd en energiezuinig waren (alle steenkool moest worden ingevoerd) dat ze een beter, betrouwbaarder en goedkoper alternatief voor de wind- en watermolens waren.

De derde factor moet bij het overheidsbeleid gezocht worden. Om te beginnen werkten de maatregelen van koning Willem I nog lang door. Na de totstandkoming van het Verenigd Koninkrijk werd de nijverheid vooral in het zuidelijk deel (het huidige België) geconcentreerd. Dit had onder andere tot gevolg dat na de afscheiding van België nagenoeg de gehele zware metaalindustrie wegviel. Uitvloeisel van datzelfde beleid was dat de handelsactiviteiten in het noorden geconcentreerd werden. Zoals in de zeventiende eeuw de scheepvaart een van de kurken was waarop de economie van de Republiek dreef, zo wilde koning Willem I de oude stapelmarktfunctie van Holland laten herleven. Hiervoor waren volop schepen nodig. De overheid moest een groot aantal maatregelen nemen om de scheepsbouw te laten herleven. Zo werd er tijdens de jaren twintig kwistig gestrooid met premies om de kostprijs van de nieuw te bouwen schepen te drukken; deze subsidie bedroeg op een bepaald moment zelfs tien procent van de bouwkosten. Daarnaast gold de bepaling dat alleen in Nederland gebouwde schepen zeebrieven konden krijgen.

Het waren niet deze maatregelen, maar de oprichting van de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM) in 1824 die voor de opbloei van de scheepsbouw verantwoordelijk was. De NHM was niet alleen verplicht om bij de vaart op Indië uitsluitend van Nederlandse schepen gebruik te maken, maar ze hanteerde vrachttarieven die ruim boven die van de vrije markt lagen. De steun van de NHM ging zelfs zo ver, dat aan eigenaars van grote in Nederland gebouwde schepen een uit- en thuisreis volgens het hoge tarief werd gegarandeerd. De reders liepen dus weinig risico.

Aan deze politiek kleefden enkele nadelen. Behalve dat deze steunmaatregelen een gat sloegen in 's Rijks schatkist (dat door de Javanen met het Cultuurstelsel gedicht werd!), leverden de werven schepen van relatief mindere kwaliteit af. Doordat dankzij de NHM erg makkelijk verdiend werd, bleven maatregelen om de scheepswerven te moderniseren in vergelijking met het buitenland te lang uit. Een gevolg was dat de Nederlandse werven op technisch gebied een achterstand opliepen.

Ook binnen de textielnijverheid ontstonden in Twente dankzij de steun van de NHM florerende bedrijven die op grote schaal `katoentjes' voor Indië leverden. Binnen het door de overheid gesteunde economische bestel bleven ondernemers vasthouden aan traditioneel, maar niettemin winstgevend ondernemersgedrag. De in dit verband door de overheid geboden voordelen droegen niet bij tot vernieuwingen of veranderingen.

Ook op geheel ander gebied betekende het beleid van de overheid een rem op de ontwikkeling van bepaalde bedrijfstakken. Zo hadden de meelmaalderijen weinig mogelijkheden tot uitbreiding, hetgeen een direct gevolg was van de accijns op het gemaal. Om fraude op de afdracht van deze belasting tegen te gaan, werden eisen aan het productieproces gesteld die een efficiëntere en grootschaligere productie belemmerden. De wet op de gemaalaccijns bepaalde namelijk dat molenaars geen nevenactiviteiten mochten uitoefenen. Het builen of zeven van het meel moest door de bakkerij worden uitgevoerd. Het was de molenaar verboden zijn bedrijf met aanpalende bedrijven als bakkerij, grutterij of graanhandel te combineren. Verder werd grootschalige of continue fabrieksmatige meelproductie verhinderd doordat de graanwet bepaalde dat elke aangebrachte partij afzonderlijk gemalen moest worden. Het graan moest met behulp van speciale belastingcertificaten voortdurend geïdentificeerd kunnen worden. Pas na de afschaffing van de accijnswet in 1855, werd het lucratief om technische veranderingen op grotere schaal in te voeren.

Het zijn passages als deze in De industriële ontwikkeling in Nederland 1800-1850 die het meest verwonderden. Het is een eye-opener dat nu met kwantitatieve gegevens onderbouwd is hoe sterk het gevoerde overheidsbeleid van invloed was op de ontwikkeling van de nijverheidssector. Bij de negentiende eeuw denkt men intuïtief aan een afzijdige overheid, aan laissez faire en aan het primaat van de vrije markt. Dat blijkt in ieder geval voor de eerste helft van de negentiende eeuw een misvatting te zijn. Tevens maakt Jansen met zijn studie duidelijk hoe ingrijpend overheidsmaatregelen op lange termijn kunnen zijn. Uit het laatste kwart van de twintigste eeuw wisten we al dat grootscheepse bemoeienis met een sector (bijvoorbeeld RSV of Fokker) zelden goed uitpakt. Nu weten we dat deze les ook uit het verleden getrokken had kunnen worden.

M. Jansen, De industriële ontwikkeling in Nederland 1800-1850.

Nederlandsch Economisch-Historisch Archief; Amsterdam, 1999; 430 blz.; ISBN 90 5742 024 4; prijs 69,90 gulden.