De staat mag meedoen, soms

De wereld één groot Athene, met een agora waar iedereen mag meepraten. Dat is de blijde boodschap van de digitale profeten. De wereld één groot Sparta, volgebouwd met kazernes waar alleen gelijkgestemden welkom zijn. Dat is het perspectief uit somberder hoek. Het eerste beeld is dominant. Nina Brink mag zich hebben teruggetrokken in Brasschaat, haar missie (`freedom of movement') is inmiddels door anderen in de `newconomy' overgenomen. De pessimistische prognose wordt onder anderen vertolkt door de Franse jurist Jean-Marie Guéhenno, die zeven jaar geleden menigeen de stuipen op het lijf joeg met zijn Het einde van de democratie. Volgens Guéhenno (1949) is WorldOnline niet de voorbode van een mondiale republiek, waar grenzeloze surfers de nationale burgers van vroeger zullen vervangen. Hun gemeenschap lijkt ongelimiteerd. Feitelijk zijn de exploitanten ervan op één ding uit: ze willen alles van hun nieuwe volk weten om het vervolgens te homogeniseren. `In het hart van de moderne vrijheid en de triomf van het individu, ontstaat een nieuw soort gemeenschap die meer aan Sparta doet denken dan aan Athene', schrijft hij in zijn jongste essay De toekomst van de vrijheid. Het boek is door de Belgische uitgeverij Lannoo zo beroerd vertaald – zelfs de spellingschecker heeft verstek laten gaan – dat ergernis vaak de overhand krijgt. Maar wie zich daar doorheen slaat, wordt beloond met een breed scala van redeneringen en conclusies die stuk voor stuk zouden moeten worden uitgewerkt. Een fascinerend boek.

Provocateur

Guéhenno gaat in De toekomst van de vrijheid voort op het pad dat hij begin jaren negentig heeft uitgezet. Hij vertrouwt het `ijdele triomfalisme dat met de val van het communisme gepaard ging' nog steeds niet. Hij is wel wat rustiger geworden. `We moeten sportief zijn: het dient tot niets een manifeste overwinning aan te vechten. De markt heeft gewonnen'. Cultuurpessimist is hij evenmin. Hij verlangt niet terug naar de almacht van de macro-politiek en vreest de xenofobie der microgemeente. Hij erkent dat we niet meer door boze vorsten worden geregeerd. Met alle gevolgen vandien, omdat `controle van de macht' er nu eenmaal niet in slaagt `evenveel kiezers op de been te brengen als verovering van de macht'.

Een provocateur is Guéhenno niettemin gebleven. Hij keert zich vooral tegen de eredienst voor de homo economicus. Want de gelovigen die `recent tot de deugden van de markt bekeerd zijn', hebben de neiging `dezelfde fouten te begaan als de marxisten uit het verleden'. Vulgair marxisten legitimeerden zich met dé geschiedenis die logischerwijs richting bevrijding zou voeren. Marktevangelisten zijn eigenlijk net zo arrogant. Voor hen is `vrijheid' een `politieke constructie' en strijdig met het feit dat ongelijkheid nóóit toeval is. `De beste wint omdat hij de beste is. Het bewijs dat hij wel degelijk de beste is, is het feit dat hij wint' is hun redenering. Deze `pseudoliberalen' maken een karikatuur van het liberalisme waarmee Guéhenno zich verbonden voelt: een burgerlijk en politiek liberalisme dat in zijn ogen weliswaar Frans gekleurd is maar zeker niet automatisch anti-Amerikaans.

Het `politieke debat' is voor Guéhenno het uitgangspunt gebleven. Maar in De toekomst van de vrijheid waaiert hij alle kanten uit, omdat hij zich niet wil beperken tot politiek in engere zin. Toch wijst alles in dezelfde richting. De ondergang van de natiestaat en zijn monopolies. De teloorgang der nationale talen die het onderspit zullen delven tegen de nieuwe lingua franca (een soort Engels) én allerhande lokale dialecten. Het verschil tussen de Amerikaanse verenigingsdemocratie, die het wiel steeds opnieuw kan uitvinden, en de Europese, die heimelijk nog steeds zoekt naar een nieuwe en betere aristocratie. En de erosie van het recht.

Dat de natie wegzakt, is geen nieuws. De staat is nog slechts één van de dienstverleners. Zelfs zijn geweldsmonopolie wordt geprivatiseerd. De politie is al geen exclusieve staatstaak meer. De krijgsmacht zal volgen. `De publieke opinie verwacht immers niet veel van de staat, en ze is dus niet bereid veel te geven, noch in mensenlevens, noch in geld'. Internationale huurlingenlegers hebben daarom toekomst. Dezelfde trend doet zich voor in het recht. De klassieke Europese democratie is geënt op het Romeinse recht dat de wet een centrale rol toekent. Gemeenschappen die zijn gebaseerd op `gewoonterecht', dat juist permanent kan worden aangepast, hebben nu een concurrentievoordeel. Volgens het Romeins recht bijvoorbeeld moet de politie elke burger op dezelfde wijze beschermen. Maar in een villabuurt is veiligheid iets anders dan in een sloppenwijk. `De politiek wordt geprivatiseerd', aldus Guéhenno.

De staat is een `medespeler die elke dag nederig zijn nut moet bewijzen'. Zijn kennis is geen macht meer, zoals vroeger. Alle kennis werd toen nog in een piramide opgestapeld, van de praktische kennis om op de werkvloer kleine besluiten te kunnen nemen tot de superieure kennis in de directiekamer waar het grote plan werd uitgedacht. In een informatiemaatschappij keert de wal het schip. En dat is geen probleem van socialisten alleen. De resulaten van het kennismonopolie, dat het Sovjetplanbureau opeiste, mogen het bekendst zijn. De onttakeling van Baringsbank, die door een medewerker in 1995 te gronde werd gericht, markeert de metamorfose bijna net zo spectaculair.

Nu gaat het niet om de bescherming van kennis maar om de uitwisseling ervan. Hoe meer losse contacten, hoe beter. Maar dat heeft consequenties voor de sturing. Met het toedelen of afpakken van kapitaal kan de ondernemer zijn medewerkers afknijpen of stimuleren. Tegelijkertijd moet hij de illusie levend houden dat ze deel zijn van een gemeenschap. Dat noopt tot `transparantie', zoals het tegenwoordig te pas en te onpas heet.

Profiel

Deze hysterische doorzichtigheid zet veel op z'n kop. Ten eerste de politieke cultuur. Als mensen zich steeds transparanter gedragen, is `homogeniteit en soms zelfs conformisme' het gevolg. Omdat dit haaks staat op concurrentie, verplaatsen de geheimen zich. Ten tweede de burger. Nu kennis geen geheim meer is van producenten, gaat het meer dan ooit om het geheim van de consumenten. Alles draait om hun `profiel'. De vrije burger kan straks niet meer kopen maar alleen nog ruilen. Zonder AirMiles en bonuskaarten kom je geen stap verder. Wie zijn hele hebben en houden niet prijsgeeft, is duur uit. Dat `plaatst het individu voor de verscheurende keuze tussen de eenzaamheid van de kluizenaar – zijn vrijheid is dan de vrijheid van een asceet – of de mogelijkheid om zich in al zijn transacties bloot te leggen, zodat hij verwikkeld dreigt te worden in een onzichtbaar net'.

Nina Brink gelooft heilig in deze `freedom of movement'. Guéhenno hanteert een andere beeldspraak. Die van het laat-Romeinse Rijk `dat bijeen werd gehouden door het algemene gebruik van een verwaterd Latijn, maar ten prooi was aan ontelbare nieuwe sekten en esoterische culturen'. De ICT-maatschappij heeft een vergelijkbare januskop. `Zowel het kwade als het goede kunnen er veel efficiënter bedreven worden'. Als de nieuwe keizers alleen maar blijven graaien en niet bereid zijn zich te onderwerpen aan nieuwe `intermediaire structuren' is de conclusie onvermijdelijk. `Individuele vrijheid is de gewisse verliezer'. Veel hoop heeft Guéhenno, ondanks zijn pogingen zinvolle perpectieven te schetsen en de Europese Unie te omarmen, niet te bieden. Vermoedelijk pakt het bovendien anders uit. In de praktijk gedragen mensen zich nu eenmaal minder filosofisch dan de filosofie zou willen. Maar als dosis antistoffen kan de ouderwetse burger er alvast zijn voordeel mee doen.

Jean-Marie Guéhenno: De toekomst van de vrijheid. Democratie in een gemondialiseerde wereld. Vertaling Katelijne De Vuyst. Lannoo, 184 blz. ƒ39,50

Socialisten en liberalen