De film van Toon Hermans

Ruim veertig jaar geleden gaf mijn vader gehoor aan een oproep in de krant waarin Toon Hermans beroepsacteurs en dilettanten zocht voor zijn film Moutarde van Sonansee. Bijna zeventig jaar oud, en al een halve eeuw `in het vak' ging hij op de dag van aanmelding naar Zandvoort, waar Hermans woonde en met zijn medewerkers achter een tafel in een dorpse lokaliteit auditie hield. Tussen de vele gegadigden werd mijn vader – die als jongeman al enige filmervaring had opgedaan met een optreden in Gloria transita, een van de eerste Nederlandse stomme films – onmiddellijk uitgekozen voor de rol die Toon in gedachte had. Zodra hij de bejaarde kandidaat in het oog kreeg, moet hij hebben uitgeroepen: `Kijk, daar hebben we onze pastoor!'

Het toeval wilde dat mijn vader gedurende zijn lange loopbaan ontelbare keren gestalte had gegeven aan een geestelijke in zijn voordracht `Pater Bron', waarbij hij, staande op een onder een laken schuilgaande trapleer bij wijze van kansel, zijn toehoorders met hilarische vermaningen op hun kerkelijke plichten wees. Bovendien kwam hij in het stemmig donkere habijt en met het zwarte kalotje op zijn hoofd heel geloofwaardig over, hetgeen misschien nog te danken was aan zijn katholieke jeugd in Delft, waar hij als kleine jongen misdienaar was geweest en zijn moeder vergeefs had gehoopt dat hij later priester zou worden.

In de anderhalf jaar dat mijn vader geregeld op en neer reisde naar de in onbruik geraakte Zandvoortse bioscoop waar de repetities en binnenopnamen plaatsvonden, werd ik bij de bezoeken aan mijn ouders in Rotterdam nauwkeurig op de hoogte gehouden van de gebeurtenissen rondom de totstandkoming van Sonansee, zoals de film algemeen werd genoemd. Op een gegeven moment had Gaby, het driejarige zoontje van Hermans dat als koorknaap meespeelde, de show gestolen toen hij tijdens een scène op de arm van de pastoor diens bril van zijn neus trok – een voorval dat Toon zo vermakelijk vond dat hij het erin heeft gelaten.

Ook zou meneer Hermans (mijn vader sprak nooit over `Toon') `als een bezetene' aan zijn film hebben gewerkt, zich geen tijd gunnend om te eten en telkens weer veranderingen in het script aanbrengend. Meer dan eens kwam hij kort voor de opname van een scène `aangedanst' – `hij loopt niet, hij springt', zei mijn vader – met de mededeling dat hij nog iets had gewijzigd, toegevoegd of weggelaten.

`Maar hij is een prima vent voor zijn mensen', haastte mijn vader zich dan te verklaren. `Nooit heb ik hem tegen iemand tekeer horen gaan. Hij had een eindeloos geduld, en als je het koud had gooide hij een jas over je schouders. Niemand zou daaraan denken. Hij wel.'

Naarmate de film vorderde, werd er meer publiciteit aan gegeven. In de kranten verschenen interviews en foto's, die mijn vader verzamelde in een plakboek, en ofschoon vergeeld, brengen ze nog steeds de tijd in beeld van Toons film, die hij `een glimlach van honderd minuten' placht te noemen. Zo staat hij, nog heel jong, met de pastoor te midden van de dorpsjeugd in de Zandvoortse Kruisstraat, of in de oude bioscoop naast zijn vrouw Rietje en mijn vader, die zijn opgerolde tekst achter zijn rug houdt.

Juist toen zijn aandeel erop zat en hij niet meer naar Zandvoort hoefde, moest mijn vader een maagoperatie ondergaan. Hij herstelde wonderlijk vlug, waartoe de bloemen en fruitmanden die Toon bij het Eudokia-ziekenhuis aan de Bergweg liet bezorgen, met opbeurende woorden als `Voor onze prachtige pastoor', ongetwijfeld hebben bijgedragen. We konden dan ook gezamenlijk op 23 oktober 1959 de première in het Amsterdamse City-theater bijwonen, waar we uit het welwillende, weinig enthousiaste applaus na afloop moesten opmaken dat de `glimlach van honderd minuten' mislukt was.

Dat bleek ook duidelijk tijdens de feestelijk bedoelde ontvangst later die avond in het restaurant van Lido. Er stond een uitgebreid koud buffet klaar voor genodigden, maar ondanks de loftuitingen en heildronken ontbrak de feestelijke stemming, al deed iedereen zijn best er niets van te laten merken tegenover Hermans zelf, die zich zoveel mogelijk op de achtergrond hield en soms helemaal leek te zijn verdwenen.

Het moet een hevige teleurstelling voor hem zijn geweest, vooral toen de kranten het er de volgende dag unaniem over eens waren dat Toons geesteskind meer verfilmd toneel met wat cabaretnummers was dan een film, met het gevolg dat Sonansee bij gebrek aan belangstelling al snel uit de roulatie werd genomen. Nog één keer, voor zover ik weet, is de film op de televisie te zien geweest, waarna hij in de catacomben van het Filmmuseum is opgeborgen.

Daar zal hij, nu Toon Hermans is overleden, uit de vergetelheid te voorschijn worden gehaald om binnenkort in datzelfde museum te worden vertoond, als eerbewijs aan de man wiens glimlach aanzienlijk langer dan honderd minuten in de herinnering zal blijven.