`Dankzij Veenhoven sla ik een brug naar het geluk van mensen'

Saskia Stuiveling was voorzitter van de jury die afgelopen woensdag de Libris Literatuurprijs toekende aan Thomas Rosenboom.

Saskia Stuiveling, sinds ruim een jaar President van de Algemene Rekenkamer en dochter van de vermaarde literatuurhistoricus Garmt Stuiveling, heeft het juryvoorzitterschap van de Librisprijs ``als een cadeautje'' ervaren. ``Het is heerlijk om even buiten je eigen werkelijkheid te stappen'', zegt ze enthousiast in haar zojuist opnieuw ingerichte, moderne kantoor aan het Haagse Lange Voorhout. Haar 325 medewerkers nodigde ze uit om het afgelopen jaar de oogst aan Nederlandse boeken met haar mee te lezen. Van 36 medewerkers ontving zij, per e-mail, 204 recensies van 108 boeken. Eén op de tien heeft dus meegedaan.

Toch is haar beslissende boek niet literair. ``In de literatuur zitten inzichten die je eigen ideeën bevestigen of ze een kleine draai geven. Een wetenschappelijke studie kan echter je een nieuw inzicht geven dat je daarvoor niet had. Ik ben opgegroeid met literair gedachtegoed, maar er is in dat domein niet één boek waarvan ik kan zeggen dat het me op poten heeft gezet.''

Stuiveling heeft drie verwante boeken uitgekozen, drie wetenschappelijke onderzoeken over problemen en het zoeken naar hun oplossing. Haar toon wordt plots serieuzer. ``Het gaat om studies naar de verhouding tussen het genereren van oplossingen en de condities waar je dan naar moet kijken. Vaak zijn het heel andere condities, dan je op het eerste gezicht zou denken.''

Eerst noemt Stuiveling, van oorsprong bedrijfskundige, het proefschrift van Herman Philipsen, Afwezigheid wegens ziekte (1968). ``Dat is een boek dat ik heel veel in mijn hoofd gebruik. Uit die studie blijkt dat lager opgeleide mensen, mensen met een minder belangrijke functie in het bedrijf, een lagere drempel hebben om ziek te worden, maar ook een lagere drempel om weer beter te worden. Bovendien bestaat de drempel om ziek te worden uit andere factoren dan de drempel om weer beter te worden. Daar zit de kern. Het is mij ontzettend bijgebleven dat het niet zo is dat, als je de oorzaak van het probleem wegneemt, daarmee het probleem is opgelost. Het was bijvoorbeeld eind jaren tachtig bon ton om te zeggen dat degenen die geld kregen van de sociale dienst, er een zootje van maakten, misbruik maakten van het systeem. Tot en met de ridicule situatie van de controle op twee tandenborstels in één glas. Dat was het verkeerde soort kijken. Het probleem was inderdaad dat er te veel mensen te veel geld kregen. Maar het bleek dat de administratieve organisatie zelf beter in elkaar gezet moest worden, waardoor er geen gaatjes meer waren waar de mensen doorheen kropen. De oplossing bleek meer in de voorwaarden te liggen dan in de mensen zelf. Dat was een heel ander soort oplossing dan men had gedacht.''

``Als het om maatschappelijke veranderingen gaat, of om het stagneren van veranderingen, denk ik altijd aan Culture and commitment (1970), van Margaret Mead.'' Het boek van deze Amerikaanse antropologe heeft als ondertitel The new relationships between the generations in the 1970s. ``Het was Mead opgevallen dat immigranten uit Europa, zo'n tweehonderd jaar na aankomst in Amerika, een veel verstardere levenshouding hadden, dan de groepen waaruit zij oorspronkelijk afkomstig waren. Zij heeft onderzocht waardoor die stagnatie werd veroorzaakt. Haar theorie is dat je drie generaties nodig hebt om veranderingen rond te krijgen en opgang te houden. Is er geen derde generatie, dan ontbreekt er een schakel in het instemmingstraject en weet de tweede generatie niet welke initiatieven van de jongste generatie ze wel of niet moet goedkeuren. Dus houdt ze elke verandering tegen. Die studie zou nog wel eens van pas kunnen komen als het gaat om inburgering en migrantenproblematiek. Als het gaat om cultuurverandering bij organisaties, kun je dezelfde patronen ontdekken. Die heb ik in mijn hoofd als ik merk dat er ergens wat stagneert. Waarom stagneert het, vraag ik me dan af. Wie moet nu dat knikje geven dat zegt: doe het maar anders?''

``Van hetzelfde type is het geluksonderzoek van Ruut Veenhoven'', zegt Stuiveling, refererend aan Veenhovens studie Happy life-expectancy, A comprehensive measure of quality-of-life in nations.

``Het is een heel zakelijke redenering die laat zien aan welke eisen de maatschappij moet voldoen om het geluk van de mensen te bevorderen. Het is een langlopend, wereldwijd project, waarbij alle factoren die voor hem de verklaring vormen van het menselijk geluk, in een database worden opgenomen en op internet te raadplegen zijn (www.eur.nl/fsw/research/happiness). Dit soort studies bevestigt mij altijd in het gevoel dat beleid met een wat langere adem uiteindelijk meer betekenis heeft voor het welzijn van de mensen en het floreren van de maatschappij dan losse flodders. Voor mij was het belangrijk om te zien dat de kernwaarde en het functioneren van de democratie, wezenlijke variabelen blijken bij het feit dat mensen zich gelukkig voelen. Afwezigheid van corruptie en willekeur blijkt een heel belangrijke factor te zijn voor de mate waarin mensen zich gelukkig voelen. Dat heeft alles te maken met integriteit, waar we een paar jaar geleden juist zo mee bezig waren – het feit dat je van de openbare dienst verwacht dat er volgens de regels, voorspelbaar, wordt gefunctioneerd. Dat er eerlijk en fair gewerkt wordt, dat jan-met-de-pet niet anders wordt behandeld dan iemand die het wat verder heeft geschopt. Gelijke monniken, gelijke kappen. Die eerlijkheid bleek een bouwsteen van het geluk van de mensen in de samenleving. Dankzij Veenhoven kon ik een brug slaan van mijn eigen werk naar het geluk van mensen. Het verband lag niet erg voor de hand en ik was dan ook aangenaam verrast. Een voorspelbaar openbaar leven – daar zit ik voor. Het lijkt misschien een beetje saai, maar het is wel wezenlijk. Niemand zou denken dat een Rekenkamer te maken heeft met het geluk van de burgers. En toch is het zo. Veenhoven toont dat aan en dat is buitengewoon aardig.''

Ruut Veenhoven: Happy Life-expectancy.

A comprehensive measure of quality-of-life in nations. Kluwer Academic Publishers, 1996.

Uitverkocht.

    • Margot Dijkgraaf