Weinig kennis van financiën

Defensie

Het ministerie van Defensie krijgt er stevig van langs van de Rekenkamer. Het financiële beheer op het departement van minister De Grave was in 1999 ,,voor een groot aantal aspecten duidelijk onvoldoende''. Ondanks een lichte vooruitgang sinds 1998 bleven de ,,resterende tekortkomingen defensiebreed aanzienlijk'', wat het ministerie ,,kwetsbaar'' maakt.

Zo gaat de Rekenkamer nog even door: de administratieve discipline, de verplichtingenregistratie, de financiële verantwoording, de BTW-procedures, de eindejaarswerkzaamheden en het aangaan en beheren van contracten vormen op Defensie een probleem. ,,In mindere mate'' geldt dat ook voor onder andere de interne controle, de vastlegging van vorderingen en voorschotten en de kwaliteit van managementinformatie. De Rekenkamer constateert bovendien ,,als punt van zorg'' een personeelstekort en te weinig deskundigheid op financieel terrein.

Vooral bij de financiële verantwoording van de luchtmacht en de marechaussee doen zich problemen voor. Gezien de ,,ernstige tekortkomingen'' bij de luchtmacht heeft de Rekenkamer minister De Grave meegedeeld dat zij extra onderzoek (een zogenoemd `bezwaaronderzoek') gaat instellen. Bij de marechaussee, waar nu eerste verbeteringen zichtbaar zijn als gevolg van een ,,volledig nieuwe opzet van de organisatie'', ziet zij daarvan nog af.

Minister De Grave erkent dat de al jaren bestaande financiële beheersachterstand voor hem en de leiding van de luchtmacht een probleem is. In een reactie aan de Rekenkamer noemt hij paradoxaal genoeg ,,een te ambitieus verbeterplan'' en een tekort aan personeel mede als oorzaken. De Grave heeft intussen beloofd dat de nieuwe verbeteringen ,,strak'' worden begeleid en dat hij over de voortgang daarvan de Kamer zal informeren. Dat neemt niet weg dat de Rekenkamer in de verantwoording van de uitgaven (15 miljard) en de verplichtingen toch maar in 1,3 respectievelijk 1,1 procent van de gevallen ,,fouten en onzekerheden'' vaststelde.

Kritisch is de Rekenkamer ook over de informatie die Defensie heeft verstrekt voor afzonderlijk onderzoek dat op verzoek van de Tweede Kamer is uitgevoerd. Het betreft onder meer de gevechtskracht van de krijgsmacht, de kosten van vredesoperaties en werving en selectie van personeel. In de financiële verantwoording over 1999 wordt nog geen antwoord gegeven op de vraag over de verhouding tussen personeelskosten en materiële kosten in de gevechtskracht. Evenmin zijn er al antwoorden op vragen welk aandeel van de totale uitgaven de gevechtskracht neemt of wat de bezuinigingen op de begroting (375 miljoen per jaar tot 2003 volgens het regeerakkoord) betekenen voor de gevechtskracht. De Rekenkamer vraagt zich af of Defensie vóór 2003 die antwoorden wél zal hebben gegeven en waarschuwt dat de Tweede Kamer haar controlewerk op dit gebied moeilijk kan doen zolang zij over de doelstellingen en het tijdschema niet concreet ingelicht is.

Dergelijke problemen in de financiële verantwoording doen zich ook voor bij de kosten van vredesacties, de invloed van vredesoperaties op de levensduur van materieel (extra onderhoud en afschrijving) en daarmee ook op de investeringsplannen. Voor het brandstof- en energiegebruik ontbreken nog controleerbare gegevens. Volgens de Rekenkamer moet Defensie zelf de antwoorden op zulke vragen hebben om de kosten van vredesoperaties voor personeel (bijvoorbeeld per man en per dag), materieel (extra slijtage) en brandstofgebruik te kunnen schatten. De Kamer moet die informatie ook hebben. Dan kan zij ,,desgewenst ook het financiële element laten meewegen in de beslissing om wel of niet deel te nemen aan een vredesmissie'', vindt de Rekenkamer.

    • J.M. Bik