Vanuit mijn raam in Enschede

Het is een bizarre gewaarwording als het huis waarin je bent opgegroeid, aan de rand ligt van een wijk die is veranderd in een oorlogsgebied. Mijn ouderlijk huis staat vlak bij de onheilsplek waar de vuurwerkopslag van S.E. Fireworks afgelopen zaterdag de lucht in ging. De schade viel gelukkig mee twee gesneuvelde ruiten van mijn oude jongenskamer, wat ontzette kozijnen, kapotte plafonds en een brok beton dat in de achtertuin is beland. Bij de over- en achterburen waren soortgelijke meteorieten door het dak gegaan. In huizen waar vroeger mensen woonden die ik kende, waren ruiten gesprongen, daken vernield, deuren ontzet. Het eigenlijke rampgebied was afgezet. Hoe gemoedelijk ook iedereen buiten rondhing op deze uitzonderlijk warme meidagen, het was beklemmend en vooral luguber.

De Roomweg, de Voortsweg, de Deurningerstraat vaak heb ik daar vroeger doorheen gefietst. Ze waren de uitvalsroute naar de vrijheid van de bossen buiten de stad en nu vormden ze de rand van het rampgebied, afgezet voor het publiek. De Kottendijk, geen straat die geschiedenis zal schrijven, stond eergisteren prominent op een kaartje in deze krant. Bij mijn middelbare school, het Gemeentelijk Lyceum, waren de ruiten van de entree weggevaagd. De Grolschfabriek, die ik vanuit mijn kamer kon zien staan, was verwoest. De weg naar de stad, die ik ontelbare keren heb gelopen, toonde tot het station de aanblik van dichtgetimmerde winkelruiten en puin op de stoep. Overal waren nog steeds straten afgezet. Er lagen bloemen op het kruispunt tegenover de verdwenen melkfabriek. Ik weet, de vergelijking is een cliché en doet geen recht aan de ellende van burgerslachtoffers in echte oorlogsgebieden, maar je waant je in Beiroet. Of Belgrado of Belfast of Sarajevo. Maar dit is Enschede.

Sinds Jan Cremer heeft Enschede niet zoveel nieuws opgeleverd als met de explosie bij S.E. Fireworks. De opslagplaats was gelegen op het terrein van de Bamshoeve, een van de trotse spinnerijen die eind jaren zestig in de neergang van de Twentse textielindustrie ten onder was gegaan. De Bamshoeve behoorde tot de groten, net als Schuttersveld, Van Heek & Co, Gebr. Jannink en al die andere illustere namen van verdwenen Twentse textielfabrieken. Achter de Bamshoeve, aan de andere kant van de Roomweg, stond de fabriek van Menko. In de smalle straten rondom de fabrieken woonden de arbeidersgezinnen in toen al belachelijk kleine fabriekswoningen. Roombeek was een achterstandsbuurt lang voordat dit zo genoemd werd.

De teloorgang van de Twentse textielindustrie vanaf het midden van de jaren zestig vormde het einde van de eerste golf van de industriële revolutie in Nederland. Textiel behoorde tot de oudste industriële activiteiten, in de 19de eeuw aangedreven met stoomkracht, later met dieselmotoren. Ooit was Twente het industriële hart van Nederland en vormden de Twentse textielbaronnen de voorhoede van het Nederlandse kapitalisme. Er verrezen enorme fabriekscomplexen, begonnen in de negentiende eeuw, uitgebreid in het begin van de twintigste eeuw en heropgebouwd of gemoderniseerd na de Tweede Wereldoorlog. Spinnerijen, weverijen met duizenden arbeiders, schoorstenen en ploegendiensten van vierentwintig uur.

Midden jaren zestig, met de opkomst van nieuwe industriële landen, een verzwakte ondernemersklasse en een onderschatte loongolf, was het snel gedaan met deze industrietak. Nagenoeg van de ene dag op de andere sloten de fabrieken, stonden de arbeiders op straat en veranderde de stad volkomen van aanzien. Ook de Bamshoeve en Menko gingen ten onder. Jarenlang stonden hun fabrieken leeg en vormden hun fabrieksterreinen een niemandsland in afwachting van een toekomst die nooit kwam.

Enschede had een voorbeeld kunnen nemen aan Lowell, de Amerikaanse textielstad in de staat Massachusetts, die een vergelijkbaar patroon van opkomst en ondergang had meegemaakt. In Lowell werden de 19de-eeuwse fabrieksgebouwen met hun architectuur van bakstenen torens en gietijzeren constructies, omgevormd tot bedrijfsruimtes voor de opkomende computerindustrie en aanverwante bedrijvigheid in de jaren tachtig. Later trokken hier de dotcom-bedrijven van de internetrevolutie binnen. Niet alleen bleven op deze manier de karakteristieke fabriekscomplexen grotendeels bewaard, er bloeiden nieuwe activiteiten die leidden tot een economische opleving.

Met de oude Enschedese textielfabrieken is noch het een, noch het ander gebeurd. Ze werden tegen de grond gegooid, maakten plaats voor woningbouw en winkelcentra, ze werden verwaarloosd en in gebruik genomen door onduidelijke bedrijvigheid. Sommige fabrieksgebouwen stonden jaren min of meer leeg, op de nominatie om te worden gesloopt. Ze boden een trieste, Oost-Europese aanblik. In Enschede is geen nieuwe bedrijvigheid in de oude textielfabrieken gekomen, laat staan een bloeiende nieuwe economie van startende computerbedrijfjes, maar de opslag van vuurwerk in bunkers, loodsen en containers. De vestiging van S.E. Fireworks midden in een oude arbeiderswijk kan met geen mogelijkheid als een voorbeeld van innovatie worden beschouwd. Het is een krankzinnige vorm van rafelrand-economie die om te beginnen nooit had mogen worden toegestaan. Dat is een trieste vaststelling van een decennialang gemiste kans nu doden zijn gevallen en de buurt in puin ligt. Met een allesverwoestende knal is een roemloos einde gekomen aan een vergeten textielverleden.

rjanssen@nrc.nl

    • Roel Janssen