Trou Moet Blycken

Die skunnige skinnery...

Die skunnige skinnery van die skinneraars darem

opdeesaardbobeven

dink maar net aan die geval van die kranke Jankemalanke

Langklaasfranke en die skunnige skinnery

oor sy vrot eikehoutplanke

alles onwaar suiwer skunnige skinnery en louter

laelakkery

Jankemalanke Langklaasfranke se planke was immers

altyd sederhoutplanke

van die Sederberge se alleronverganklikste

sederhoutplanke doodkisplanke en annerkisplanke

en altevol spoggerige

breë lekkerruikbinnedeurplanke

vra gerus vir die Kouebokvellers en die Klamwieljammers

en die Woeperdallers

hulle sal sê Jankemalanke Langklaasfranke se planke

was altyd sederhoutplanke

en nooit vrot eikehoutplanke nie

darie storie van die vrot eikehoutplanke

was die skunnige skinnerstorie van die janloerse

Kwaadstokerkwanselaar wat van sy eie vrot eikehout-

planke nie ontslae kon raak nie en toe met sy skunnige

skinnery teen Jankemalanke Langklaasfranke begin het

o die skunnige skinnery van die aardse aartsskinneraars

darem tot op hierdie heden opdeesaardbobeven

Boerneef (1897-1967)

Dit is een heerlijk gedicht om een paar keer snel achter elkaar hardop voor te lezen, maar een echt `tongknopertje', zoals wordt beweerd, een echt `de kat krabt de krullen van de trap' lijkt me het niet. 't Lukt mij tenminste altijd om het foutloos ten einde te brengen. Het verhaal van de schunnige roddelarij over de ondeugdelijke eikenhouten planken die Jankemalanke Langklaasfranke zou leveren werkt eerder tragikomisch dan dat het tot ongewenste woordstruikelingen als bij `tien dikke rollen drop' aanleiding zou geven. De klanken en herhalingen en alliteraties zetten alleen kracht bij aan de verontwaardiging van Jankemalanke Langklaasfranke over de `janloerse Kwaadstokerkwanselaar' die van zijn eigen ondeugdelijke eikenhouten planken maar niet ontslagen kan raken en daarom dat lelijke roddelverhaal is gaan rondstrooien over Jankemalankes in feite allerdegelijkste cederhouten planken, werkelijk de meest geschikte planken voor dood- en andere kisten.

Het vers spuugt, het is een salvo.

Boerneef, het pseudoniem van Izak van der Merwe, hoort met N.P. van Wyk Louw en D.J. Opperman zo'n beetje tot het poëtisch driegesternte van een nu verdwenen generatie mannelijke dichters, maar in tegenstelling tot Van Wyk Louw en Opperman drong hij nooit in Nederland door. De ernst en de plechtigheid lopen altijd voorop, natuurlijk, maar het kwam ook doordat hij zo laat debuteerde. Boerneef was al over de veertig toen hij met zijn eerste prozaboek kwam, en al over de zestig toen zijn eerste dichtbundel verscheen.

Op het ogenblik is hij in Zuid-Afrika van het genoemde drietal wel de populairste dichter, met zijn eeuwige woordvervormingen, zijn taalgrappen en melodieuze bokkensprongen. Daar hebben de geleerden met hun neiging om voor elke woordspeling en elk Boerneefisme een ingenieuze verklaring te zoeken niets aan kunnen bederven. Zijn liedjes worden gedeclameerd en gezongen (er is onlangs weer een cd verschenen) en in 1998 kwam er nog een uitgebreide bloemlezing door Wium van Zyl op de markt, Die berggans het 'n veer laat val.

Het is rechtvaardig dat Boerneef weer tot het publiek van de straat is teruggekeerd, want zelf ontleende hij veel aan de straat. Het idioom van de bruinmense, volkswijsheden, regels van populaire liedjes, 't kwam allemaal in zijn poëzie terecht. Hij maakte er een levendige Boerneef-cocktail van, altijd een beetje baldadig en altijd een beetje rebels. Knipogend, parodiërend, goochelend, maar in de eerste plaats muzikaal. Zijn gedichten zijn vaak impromptu's, meerstemmige liederen, sonatines. Als hij een goedklinkend woord nodig had, dan maakte hij al musicerend zo'n woord.

Ook Jankemalanke Langklaasfranke, de Jan op wie de roddelaars zo `janloers' zijn (om maar eens terloops iets voor de hand liggends te verklaren) is uit een aftelrijmpje afkomstig. Wium van Zyl wijst er op dat de tekst daarvan staat opgetekend in Van Vlotens Baker- en Kinderrijmen, de vermaarde negentiende-eeuwse verzameling kinderliedjes. Zoeken we het daar op, dan vinden we

Te Rotterdam op de Keizersbrug

Zat een ventje met een krommen rug,

Hij heette Anke Manken,

Janse Jan Franken;

Hij verkoopt delen en planken.

Vrienden, ziet toe,

Dat je geen planken

Van Anke Manken

Janse Jan Franken

Op en doet;

Want die planken

Van Anke Manken

Janse Jan Franken

Zijn zelden goed.

Zo houdt een dichter, door in een bundel uit 1964 te antwoorden op deze roddelarij en intense gemeenheid (`laelakkery'), eeuwenoude kinderpoëzie springlevend.

Boerneef debuteerde als dichter pas in 1958. Het is duidelijk dat hij met zijn openbreken van de taal en zijn voorkeur voor lichtelijk mathematisch geconstrueerde gekkenpraat beïnvloed is door de Vijftigers. Hun vermogen om de conventionele taalgrenzen te doorbreken (Boerneef was zelf woordenboekmaker) en om met die taalalchemie tot surrealistische beelden te komen moet hem hebben geïntrigeerd.

Het was geen deconstructie in dienst van de revolutie of van een onmogelijk ideaal. Bij Boerneef blijven het spel en de verbazing over de mogelijkheden van het spel zelf overheersen. Wat niet wil zeggen dat Boerneef een vrijblijvend dichter is. Hij had zeker oog voor de absurditeit van zijn onderneming. Tussen de luchtbellen en oprispingen van zijn speelsheid en virtuoze variatiezucht lag daar altijd de zware steen van de melancholie en de herinnering. Een Mozart op de concertina.