Scoren met controle

Jan van Walsem, Tweede-Kamerlid (D66), voorzitter van de Commissie voor de Rijksuitgaven:

``Ik ben nu zes jaar Kamerlid en vanaf het begin heeft het me verbaasd hoe weinig belangstelling er in de Kamer bestaat voor het controleren van de regering. Terwijl controle toch de belangrijkste taak van de Kamer hoort te zijn.

Veel collega's begraven zichzelf het liefst in nieuwe wetgeving. Ze zijn vaak ook druk bezig met het schrijven van allerlei eigen notaatjes over probleem-zus en probleem-zo. Het schijnt het aantrekkelijkst te zijn om zo'n beetje half op de stoel van de regering te gaan zitten. Ze willen scoren.

Terugkijken naar beloftes en nagaan of die zijn waargemaakt: daarmee schijn je jezelf niet in de kijker te kunnen spelen. Dat heeft ook te maken met de manier waarop de parlementaire controle tot nu toe georganiseerd is geweest. Niemand wierp ooit een blik in jaarverslagen, ook journalisten niet. Tja, dan kom je als Kamerlid ook niet in de krant hè, als je dat wel deed. Publicitair gezien valt er vaak weinig te halen bij terugblikken.

Met deze `Derde Woensdag' begint een nieuwe fase in een ontwikkeling die al een jaar of twintig loopt. Vanaf de jaren tachtig is er veel werk gemaakt van de verbetering van de financiële verantwoording. De Rekenkamer kon vaak maar voor 50 tot 60 procent van de uitgaven vaststellen of die rechtmatig waren gedaan. Het wilde niet zeggen dat de rest onrechtmatig was, maar de boekhouding was op veel departementen gewoon niet op orde.

Inmiddels kan de rechtmatigheid bij 99,5 tot 100 procent van de uitgaven worden aangetoond. Dat is feitelijk al het geval sinds halverwege de jaren negentig. Nadien is de Kamer begonnen met een volgende fase in de controleverbetering. De Kamer wil niet alleen weten of de uitgaven rechtmatig zijn gedaan. De Kamer verlangt nu ook inzicht in de doelmatigheid. Dat is dus meer dan financiële verantwoording. Daarbij gaat het ook om de motivatie van de bestedingen.

Die verhoogde aandacht voor doelmatigheid heeft een paar stevige conflicten opgeleverd tussen departementen en de Algemene Rekenkamer. Dat is bijvoorbeeld gebeurd bij de technolease-kwestie, waarbij Financiën enorme fiscale voordelen bood aan Philips. Hetzelfde zag je enkele jaren geleden bij de aanschaf van het schilderij Victory Boogie Woogie van Mondriaan. De Rekenkamer vroeg extra informatie over de achtergrond van die uitgaven, maar het ministerie hield de deur potdicht. Men vond dat de Rekenkamer alleen naar het geld mocht kijken en niet allerlei andere stukken mocht inzien over de totstandkoming van transacties.

Inmiddels zijn we toe aan een volgende stap in de verbetering van de controle op het regeringsbeleid. Na rechtmatigheid en doelmatigheid richt de aandacht zich nu op doeltreffendheid. Met andere woorden: wat is er terechtgekomen van alle plannen en van het geld dat daaraan is uitgegeven?

Het is ongelofelijk om te zien hoe weinig daarvan op diverse terreinen nog bekend is. Voortdurend wordt er maar nieuw beleid op beleid gestapeld. Van ervaringen uit de praktijk en lessen uit het verleden wordt veel te weinig gebruikgemaakt. Voor mij is het bij uitstek een taak van de Kamer om daarop voortdurend gespitst te zijn: mooi plan excellentie! Maar wat is er eigenlijk terechtgekomen van uw plan van drie jaar geleden?''