@paradijs.com

Corn Island ligt in een uithoek van de wereld. De kreeft is er goedkoop en de eilandbewoners zijn vriendelijk. Ooit was dat anders en niet alleen omdat er toen nog geen internet was. Een bezoek aan een onthaast eiland voor de kust van Nicaragua.

In 1660 liep het schip van de Franse piraat L'Olonnais op een koraalrif voor de kust van een eilandje in de Caraïbische zee. Twee bemanningsleden gingen aan wal om te jagen: een Fransman en een Spanjaard. In het woud werden ze overvallen door indianen. De Fransman wist te ontkomen. De piraten gingen op onderzoek uit. Naast de gloeiende as van een vuur vonden ze een berg afgekloven botten: hun kameraad was opgegeten.

Ik volg de ongeplaveide weg langs de kust van Corn Island. De noordoostenwind laat de golven op de rotsen spatten. De piraten slachtten vele indianen af, de overlevenden ontvluchtten het eiland. Later brachten Britse katoenplanters slaven uit Jamaica naar het eiland. Engels werd de voertaal en bleef dat toen het eiland in 1892 officieel tot Nicaragua ging behoren.

Een donkere man rijdt me tegemoet, zwaar trappend op een zilveren mountainbike Hij stopt, stapt af en steekt zijn hand uit. ,,Junior Watts'', zegt hij. ,,Mooie fiets'', zeg ik nadat ik mijn naam heb genoemd. Hij duwt het stuur naar me toe: ,,You need it?'' ,,Nee, nee'', zeg ik ,,ik heb geen haast.'' Vreemdelingen zijn tegenwoordig welkom op Corn Island.

Het is mogelijk in één dag het hele eiland rond te wandelen en dat is dan ook wat de meeste toeristen doen. De drie Oostenrijkse jongens die met hetzelfde vliegtuigje als ik zijn aangekomen, zijn me al voorbijgelopen. Gisteren was ik naast de landingsstrip in een taxi gestapt en had gezegd: ,,Iemand van het vasteland vroeg me de groeten te doen aan Carlos Webb, kent u die?'' ,,Dat ben ik'', lachte de chauffeur. Hij bracht me ongevraagd naar Casa Blanca: ,,De andere hotels zijn gewoon veel te duur'', zei hij.

Het kleine, wit stenen gebouwtje biedt uitzicht op zee en een klif waaraan een houten huis zich vastklampt. Op het erf staat een stapel houten fuiken. De Corn Islanders leven van de kreeftvangst.

Ik vervolg mijn wandeltocht en nader een turquoise geschilderd huis. Een man staat voor het huis geleund tegen een tuinhek; Dane Bryan. Vier jaar geleden is hij teruggekeerd, na decennia lang steward te zijn geweest op een Amerikaans cruiseschip. ,,We hebben het hier altijd te gemakkelijk gehad'', zegt hij. ,,Vroeger leefden we van kokosnoten, iedere familie had honderden bomen. Nadat die bij de laatste orkaan zijn omgewaaid, werd kreeft big business.'' De Corn-Islanders hebben altijd goed verdiend, zegt hij, en hun geld weer snel uitgegeven. Ondertussen openen Spaanssprekende handelaars uit Managua winkeltjes en bouwen Europeanen en Amerikanen hotels. ,,Als we niets ondernemen, zullen we op een dag ontdekken dat het ons eiland niet meer is'', zegt Bryan. ,,En dan hebben we niemand iets te verwijten.''

Aan het begin van de middag bereik ik Long Beach, het mooiste strand van het eiland. Daarna beklim ik een heuvel om te zien hoe de turquoisekleurige zee ons omsluit. De afdaling brengt me bij de zuidelijke punt. Vanuit een woonhuis vlak aan zee worden kruidenierswaren verkocht. Ik koop een blikje perensap. De eigenaresse biedt me een schommelstoel aan op haar veranda. Perlita heet ze. Orkaan Joan, uit 1988, kan ze zich nog goed herinneren. Niemand geloofde dat er een gevaar dreigde. Iedereen was thuis toen de golfplaten van de daken werden gerukt en met zo'n kracht door de lucht werden geslingerd dat dikke palmbomen doormidden werden gekliefd. Perlita's slippers waren meegenomen door de wind en ze was met blote voeten de heuvel opgeklauterd.

Ik besluit een bezoek te brengen aan het nieuwe hotel dat door een Italiaan gebouwd is op Robinson Point. Op een veranda, vlak aan zee, zit een jong paar met een baby. ,,Ik roep mijn vader'', zegt de vrouw en er verschijnt een elegante heer: Alessandro Lenner uit Rome. Hij leidt mij langs kamers die opgetrokken zijn uit brokken koraal en mahoniehout. De douche zit achter een grillig gevormde poort. Onder een donker houten gewelf moet een zitkamer komen, het terras, belegd met siennakleurige plavuizen, wacht op tafels en stoelen. Wanneer is het project voltooid? ,,Oh, nog lang niet'', reageert Alessandro afwerend. Hij verheugt zich niet op het moment dat zijn hotel in bedrijf zal zijn. Al dat gedoe. Half af bevalt hem wel.

,,Ik ben blij dat ik eindelijk een geschikt eiland heb gevonden. Vanaf 1958 heb ik hier naar gezocht.'' Met zijn vrouw, en later met hun kinderen, trok hij de wereld rond. Ze bezochten de Maldiven, brachten maanden door op een eiland in Frans Caledonië. Ze logeerden op Trinidad, Madagascar en Grenada. En overal was wat. ,,Of je mocht als buitenlander geen grond kopen, of het was er schreeuwend duur, of er was geen kliniek.'' Corn Island is een compromis. Zijn kinderen kunnen hem hier makkelijk opzoeken: hij gebaart naar het gezinnetje op de veranda. Zijn vrouw komt spoedig ook. De rest van zijn leven wil hij over zee staren. ,,Laten we hopen dat er niet te veel toeristen komen'', zegt hij bij het afscheid.

Die avond logeer ik in het Bay Side hotel, aan de noordkant van het eiland, want daar klinken de golven het indrukwekkendst. Ze beuken op de keien onder mijn raam. In het donker loop ik naar Sevas Restaurant, een geel betonnen gebouwtje, dat me door velen is aanbevolen. Bij een grote, creoolse vrouw bestel ik gegrillde kreeft met knoflook. Uit luidsprekers klinkt muziek van Lucky Dube, een rasta-zanger uit Jamaica. De wind zwelt aan en zijn rauwe stem verdrinkt in het geraas van de zee. Twee bierdrinkende mannen proberen boven het lawaai uit te schreeuwen.

's Morgens kan ik Little Corn Island uit mijn hotelkamerraam zien liggen, een groene puntmuts in zee. Iedereen die er geweest is zegt: je moet het gezien hebben.

Om negen uur vertrekt een sloep uit Brig Bay. Links van me zit een creoolse vrouw met een baby, rechts twee Amerikaanse jongens die in Nicaragua voor het Peace Corps hebben gewerkt. Zodra we de beschutting van de baai hebben verlaten worden de golven huizenhoog. De kapitein geeft gas en laat het schuitje met enorme klappen op het water neerkomen. De vrouw klemt haar baby vast. De tocht lijkt op een ritje in een kermisattractie.

Met knikkende knieën stap ik aan wal. Aan een man die onder een boom ligt te soezen vraag ik waar hotel Iguana te vinden is. ,,Dat is vol'', antwoordt hij, met één oog open. Aan het eind van een pad door het bos kom ik terecht bij een paar hutten en huisjes met moderne, grijze platen daken. Alleen de veranda, vanwaar je kan uitkijken over zee en een eindeloos lijkend strand, komt overeen met het vakantieparadijs dat ik verwachtte. Een vrouw die aan het vegen is, zegt: ,,Iedereen is weg. Ze zijn gaan vissen'', en gebaart naar de oceaan.

Later op de ochtend vaart een speedboot de baai binnen. Een jonge, blonde vrouw in bikini stapt als eerste uit, ze houdt twee grote makrelen vast bij hun kieuwen. Ze is Cathy, de eigenaresse van Iguana. ,,Heb je gereserveerd per e-mail?'' vraagt ze wanneer ik informeer of ze een slaapplaats heeft. Klanten boeken maanden van tevoren via het internet, zegt Cathy, mijn verbaasde gezicht ziend. Eens in de veertien dagen haalt ze de e-mailberichten op in Bluefields, op het vasteland. Voor deze ene keer zal ze een slaapplaats voor me maken op de bank in de eetkamer. Om zes uur wordt het diner geserveerd.

De rest van de dag slenter ik van het ene schitterende strand naar het andere. In de schaduw van een paar palmen serveert een vrouw gebakken vis. Op de uiterste punt van het eiland vind ik de twee Amerikaanse jongens met wie ik de overtocht heb gemaakt. Er zijn ook nog een paar Denen en Italianen. Ze logeren in de bamboehut van een Amerikaan. De Amerikaan draagt zijn baard in een vlecht en heeft daarin schelpjes verwerkt. Het internationale gezelschap zit ontspannen bij elkaar op geïmproviseerde stoelen. Ik moet me haasten om voor het donker terug bij Iguana te zijn.

In de eetzaal klinkt muziek van Jimmy Buffet. De mini-stereotoren werkt op zonne-energie. Cathy is druk bezig in de keuken, haar man Grant steekt kaarsen aan op een mooi gedekte tafel. De gasten, die allemaal net gedoucht hebben, druppelen binnen: twee Italiaanse vrouwen, een domineesechtpaar uit de Bible Belt dat van ecotoersime houdt, een brandweerman uit New York en de familie McDonald uit Idaho. Alle McDonalds stralen: ze hebben een fantastische dag gehad. Tijdens het snorkelen hebben ze een haai gezien en de zoontjes hebben een fles met een briefje gevonden op het strand. Er stond het adres op van twee broers in Spanje.

We krijgen kreeft met komkommersalade, uit een kist met ijs kunnen we koud bier pakken. Er wordt gelachen en gepraat totdat vermoeidheid iedereen naar bed drijft. De volgende ochtend in alle vroegte neem ik de eerste boot naar het grote eiland. Ik laat een briefje achter voor de McDonald-zoontjes. Of ze me op de hoogte kunnen houden van hun contacten met de Spaanse broers. Per e-mail.

INFORMATIE

Internet Nicaragua: www.centralamerica.com/nicaragua

Corn Island: www.nvmundo.com/toursnicaragua/

twoday.htm

Casa Iguana: www.casaiguana.net

Informatie over Casa Iguana: e-mail catgran@iname.com

    • Carolijn Visser