`Paleis-souffleurs' fnuiken roepia

Het IMF heeft gisteren, sneller dan verwacht, met Indonesië een nieuwe letter of intent getekend. Die was waarschijnlijk bedoeld als reddingsboei voor de zinkende roepia, maar de markt blijft sceptisch over de regering-Wahid.

`Dan doe ik het zelf wel', moet Abdurrahman Wahid hebben gezegd. Sinds begin mei heeft de Indonesische president de teugels van de economische politiek in eigen hand genomen en leidt hij zelf op maandagmiddagen het beraad van economische bewindslieden en adviseurs. Dat Wahid de economie nu de hoogste prioriteit geeft, heeft nog geen indruk gemaakt op de markt. De koers van de roepia daalde de afgelopen week met 9 procent en vertoont nog geen tekenen van herstel. Menig analist wijt het gebrek aan vertrouwen in de Indonesische munt juist aan het ondoorzichtige personeelsbeleid van de president.

Toen het Internationale Monetaire Fonds (IMF) begin april besloot om de tweede tranche – 400 miljoen dollar – van het toegezegde bijstandskrediet nog even in de knip te houden, omdat Indonesië het lijstje maatregelen dat op 1 april genomen had moeten zijn, nog niet had afgewerkt, had dit op Wahid het effect van een wekker. Tot dat moment had hij de noodlijdende volkshuishouding, die gebukt gaat onder de loodzware last van tijdens de Nieuwe Orde – het bewind van oud-president Soeharto – gemaakte schulden, overgelaten aan de vakministers in zijn kabinet. De president volstond met het toespreken van zalen vol ondernemers in buitenlandse hoofdsteden om hen te bewegen tot investeren in Indonesië. De resultaten blijven vooralsnog uit, want potentiële investeerders zijn nog niet overtuigd van de politieke stabiliteit en rechtszekerheid in het geplaagde eilandenrijk.

Rechtszekerheid – rechtsbescherming voor contracten, vrijwaring van ondernemers voor wilde heffingen door bureaucraten, berechting van onwillige debiteuren – staat hoog op het afsprakenlijstje (Letter of Intent) dat Indonesië in januari tekende in ruil voor een driejarig ondersteuningskrediet, 5 miljard dollar groot, van het IMF. Dat blijkt een weerbarstige materie, want zowel in het kantoor van de procureur-generaal als in de gerechtshoven zetelen nog steeds officieren en magistraten die zich in het verleden niet lieten leiden door de wet, maar door het hoogste bod.

Andere aandachtspunten van het IMF stuiten op maatschappelijk verzet. In het kader van de corruptiebestrijding besloot de regering-Wahid de trap van boven af schoon te vegen en de salarissen van ministers en hoge ambtenaren drastisch te verhogen, om hen zo minder gevoelig te maken voor steekpenningen en kickbacks. Dat viel in slechte aarde bij de ambtelijke onderkant en tienduizenden onderbetaalde onderwijzers gingen de straat op en eisten een loonsverhoging van 300 procent. De geleidelijke vermindering van brandstofsubsidies ter ontlasting van de staatsbegroting zou op 1 april ingaan in de vorm van een selectieve prijsverhoging. Onder druk van protesten besloot de regering op het laatste moment de maatregel voor onbepaalde tijd uit te stellen.

Begin april liet het IMF weten uitbetaling van de tweede tranche van het bijstandskrediet op te schorten. Daar is Wahid van geschrokken. Hij weet de opgelopen vertraging vooral aan strubbelingen in zijn ministersploeg. Anders dan zijn voorgangers Soeharto en Habibie vormde Wahid na zijn verkiezing in oktober geen kabinet van vertrouwelingen en technocraten, maar een verkapte coalitieregering waarin alle partijen die hem aan het hoogste ambt hadden geholpen ministersposten kregen. De president betreurt achteraf dat hij zich bij de samenstelling van het kabinet heeft laten verleiden tot politieke compromissen en schrijft de tegenvallende resultaten nu op het conto van politieke rivaliteiten. Hij wordt gestijfd in die overtuiging door de `souffleurs van het paleis'.

Wahid is bijna blind, wantrouwt de bureaucratische en politieke elite en laat zich over de handel en wandel van bewindslieden en topambtenaren bijna uitsluitend inlichten door persoonlijke vertrouwelingen. Dat zijn deels geestverwanten uit de moslimbeweging Nahdlatul Ulama (NU), die Wahid 15 jaar voorzat, deels oud-activisten uit de democratische beweging en voor een deel ook familieleden. Wahid haalde twee van zijn vier dochters naar het `paleis' en hij stelde een jongere broer, Hasyim Wahid (47) aan als `troubleshooter' bij het Openbare Lichaam voor de sanering van het bankwezen (BPPN), waar door de crisis van 1997 in problemen geraakte banken zijn ondergebracht. De BPPN beheert de activa die als onderpand dienden voor nooit afbetaalde leningen, met een gezamenlijke marktwaarde van tientallen miljarden guldens.

Deze entourage souffleert Wahid en laat zich niet altijd leiden door het landsbelang. Op 24 april besloot Wahid twee economische ministers te vervangen, zonder overleg met de partijleiders die zich voor deze politici garant hadden gesteld. Het ging om de bewindsman van Industrie en Handel, Jusuf Kalla, en die van Investeringen en Staatsbedrijven, Laksamana Sukardi. Vooral die laatste stond in binnen- en buitenland hoog aangeschreven. Zij werden vervangen door lieden die wel het persoonlijke vertrouwen van Wahid, maar, gezien hun antecedenten, niet dat van `de markt' genieten.

Kalla's post ging naar luitenant-generaal b.d. Luhut Panjaitan, oud-ambassadeur te Singapore, en Sukardi's portefeuille naar de NU-bestuurder Rozy Munir. Panjaitan had indruk gemaakt op Wahid toen hij tijdens een presidentieel bezoek aan Singapore enkele honderden ondernemers wist op te trommelen, die toezeggingen deden voor investeringen in Indonesië. Die laten overigens nog steeds op zich wachten.

Wahid had de demograaf Munir in november in Sukardi's departement gestald. Daar speelde deze NU-man achter Sukardi's rug om een eigen spel bij de benoeming van topmensen voor overheidsbedrijven. Hij fluisterde Wahid in dat Sukardi partijgenoten voortrok en voor deze `loyaliteit' werd Munir door de president beloond met Sukardi's ministerspost. ,,De NU'', grapte Wahid ooit, ,,is net een moskee: er zijn er die komen om God te ontmoeten of om Hem vergeving te vragen, er zijn er ook die de sandalen van de gelovigen stelen.'' Het is onder meer dit eigenzinnige personeelsbeleid dat politieke onrust wekt en knaagt aan het vertrouwen in de roepia.

    • Dirk Vlasblom