Oorlogszuchtig Afrika vecht met zichzelf

Waarom heerst er in Afrika toch altijd en overal oorlog? Waarom komt er maar geen eind aan het geweld? Arbitraire grenzen, slecht leiderschap, zwakke staten, armoe en etnische tegenstellingen spelen Afrika parten. Een continent worstelt met zichzelf, en de rest van de wereld kijkt toe.

Ethiopië valt Eritrea binnen. Rwanda en Oeganda raken slaags in Oost-Congo. Rebellen in Sierra Leone gijzelen VN-militairen die op naleving van een vredesakkoord moeten toezien. Afrika vecht weer met zichzelf.

Een op de vier Afrikaanse landen is partij in de grote conflicten die een bloedige diagonaal over het continent trekken: van Ethiopië en Eritrea in het noordoosten, via de Democratische Republiek Congo in het centrum, tot Angola in het zuidwesten. Nog eens een op de vier naties kampt met kleinere conflicten. Ook relatief stabiele landen als Oeganda, Senegal, Tsjaad, Djibouti en Namibië worden geplaagd door rebellen, seperatisten of milities. Volgens de gezaghebbende Britse nieuwsbrief Africa Confidential leven 200 miljoen Afrikanen onder dreiging van geweld.

Afrika is het meest oorlogszuchtige continent. Afrikaanse landen tekenden vorig jaar voor meer dan de helft van alle gewapende conflicten in de wereld, berekende het Britse Institute for Strategic Studies. Volgens de onderzoekinstelling PIOOM, die voor organisaties voor de rechten van de mens werkt, kwamen bij de tien grootste Afrikaanse oorlogen in de laatste 25 jaar 3,8 tot 6,8 miljoen mensen om het leven. De geweldsstorm stak in de tweede helft van de afgelopen eeuw de kop op toen de Afrikaanse landen in snel tempo onafhankelijk werden. Daarna is deze nooit meer geluwd.

Wat er met het continent ook gebeurde – Afrika liet de bevrijdingsoorlogen achter zich, ontworstelde zich ook aan de Koude Oorlog, maakte zich op voor een `Afrikaanse Renaissance' (in de woorden van de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki) – het aantal conflicten bleef in de loop van de decennia opmerkelijk constant. Veertig jaar geleden was Afrika al arm, maar niet armer dan grote delen van Azië en Zuid-Amerika. Intussen is de rest van de wereld opgestuwd in de vaart der volkeren, terwijl Afrika politiek, sociaal en economisch systematisch achterbleef, continu geplaagd door geweld.

Weinig mensen delen het optimisme dat de Oegandese president Yoweri Museveni vorig jaar in de Harvard International Review demonstreerde. Hij noemde de Afrikaanse conflicten ,,overblijfselen van onopgeloste problemen uit het verleden''. Hij schreef over ,,de doodstrijd'' van feodale, militaire, ondemocratische structuren. De oorlogen waren een noodzakelijk kwaad om schoon schip te maken. Tekenen van hoop.

Maar het is lastig om de smerige burgeroorlogen in Angola en Burundi te zien als wegbereiders van de heilstaat. Geen van de cynische partijen in die conflicten gaat het om vrijheid, gelijkheid of andere idealen, alleen om macht en bezit. En die zijn in Afrika meestal in één hand verenigd. Van geen van de partijen heeft de bevolking ook maar iets te verwachten. Afrikaanse conflicten kennen meestal geen `goeden' en `slechten'. Wie er wint, maakt voor het overgrote deel van de bevolking weinig uit.

De bron van het aanhoudende geweld is een giftige cocktail, waarvoor de Afrikanen zelf verantwoordelijk zijn, samen met hun voormalige koloniale overheersers en de tegenwoordige grootmachten.

De grote Europese mogendheden verdeelden het continent honderdvijftien jaar geleden in Berlijn alsof het een taart was, geen rekening houdend met de geschiedenis, tradities en geografische spreiding van volken. Verwante stammen werden door een streep op de kaart van elkaar gescheiden. In een gebied als Congo werden meer dan 250 volkeren, met hun eigen structuren en hun eigen gewoonten, op één hoop gegooid. Daarmee legden de koloniale mogendheden de kiem voor menig conflict.

Koloniale naties lieten ook na om Afrikaanse landen behoorlijk voor te bereiden op de onafhankelijkheid. Ze leefden in de waan dat hun heerschappij over Afrika eeuwig zou duren, en toen ze na de Tweede Wereldoorlog tot hun verbijstering ontdekten dat de tijd van vertrek was gekomen, wisten ze niet hoe snel ze weg moesten komen. Ze lieten de landen achter zonder politieke cultuur, zonder een traditie van machtsdeling, zonder een stabiliserende middenklasse. Opgezadeld met de Westerse uitvinding van de natiestaat die de traditionele Afrikaanse structuren had vervangen. Een bestuursvorm die niet geschraagd werd door de onontbeerlijke instituties, zoals een onafhankelijke ambtenarenstand en een meerpartijensysteem.

Volgens het vorig jaar verschenen boek Africa Works; Disorder as political instrument zijn de meeste Afrikaanse staten niet meer dan lege hulzen: pseudo-Westerse façades die de werkelijke politieke verhoudingen verhullen. Afrikaanse politici danken hun posities niet aan hun capaciteit om dienstbaar te zijn aan de gemeenschap, maar aan de macht en de rijkdom die ze hebben verworven als leiders van informele netwerken. De legitimiteit van de Afrikaanse politieke elite berust op het vermogen om de cliëntèle waarop haar macht is gebaseerd te voeden. Loyaliteit van politici ligt niet bij staat of volk, maar in de eerste plaats bij de uitgebreide familie en daarna bij de cliëntèle. Dit Afrikaanse systeem dwingt heersers tot een voortdurende zelfverrijking om grote delen van de buit onder de aanhang te verdelen. Strijd om de schaarse middelen en etnische conflicten zijn onvermijdelijke bijproducten. The winner takes it all in de Afrikaanse politiek.

Armoe voedt oorlog. Van de twintig armste landen ter wereld waren er de afgelopen twee decennia vijftien betrokken bij conflicten. In veel Afrikaanse landen waar de economische groei al jaren geen gelijke tred heeft kunnen houden met de toename van de bevolking, is oorlog vaak een strijd om het naakte bestaan.

En oorlog leidt tot oorlog. Alex de Waal, directeur van de Britse organisatie Justice Africa wees er onlangs in het dagblad Trouw op dat vrijwel alle Afrikaanse landen waar in de jaren negentig werd gevochten, in de jaren tachtig ook al oorlog hadden gekend. Oorlog werkt verslavend. Voor leiders die hun macht aan de wapens danken. Voor soldaten die zich alleen dankzij hun geweren aan de grauwe armoe hebben ontworsteld. Oorlog sluit in landen als Ethiopië en Rwanda aan bij een eeuwenoude vechtcultuur.

De wortels van de oorlog – arbitraire grenzen, slecht leiderschap, zwakke staten, armoe, etnische tegenstellingen, tradities – variëren per conflict. Wat al die confrontaties gemeen hebben, is dat Afrika niet in staat is ze op te lossen of te voorkomen. Het continent mist machtige organisaties zoals de Europese Unie of de NAVO die preventief of regulerend kunnen optreden. De Organisatie voor Afrikaanse Eenheid waarbij de meeste Afrikaanse landen zijn aangesloten, doet sinds 1990 wel aan conflictpreventie. En het continent kent ook twee militaire samenwerkingsverbanden: Ecomog in West-Afrika en SADC in zuidelijk-Afrika. Maar de effectiviteit van die organisaties is beperkt.

Afrika is nog niet in staat om zijn eigen conflicten de wereld uit te helpen. Dat blijkt extra pijnlijk sinds de grote mogendheden met het einde van de Koude Oorlog hun interesse voor het continent hebben verloren. De vroegere koloniale mogendheden houden zich angstvallig afzijdig. En de Verenigde Staten wagen hun grondtroepen niet aan Afrika. In de steek gelaten vecht het meest oorlogszuchtige continent verder met zichzelf.