Onvoorspelbaar

Jan van Zijl, Tweede-Kamerlid (PvdA), voorzitter van de Kamercommissie die `Derde Woensdag' heeft voorbereid:

``We willen de burger laten zien dat de Kamer meer werk maakt van het controleren van de regering. Dat blijkt al uit het toenemende aantal parlementaire onderzoeken die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. In die trend past ook het jaarlijks stelselmatig beoordelen van bewindslieden op geleverde prestaties.

Het hoort een beetje bij de tijdgeest. In het verleden was de politiek veel ideologischer geladen. Tegenwoordig zijn mensen veel praktischer gericht. Burgers willen weten of beloftes worden waargemaakt. Ze verlangen minder files, meer plaatsen voor kinderopvang, geen wachtlijsten in de thuiszorg, computers op scholen, noem maar op. Dát is waarop de politiek wordt beoordeeld.

Op papier zit deze nieuwe procedure van parlementaire controle volstrekt logisch in elkaar. In september nieuwe plannen presenteren, in mei verantwoording afleggen, in juni bijsturen, in september weer met nieuwe plannen komen, enzovoorts. Je zou kunnen zeggen: daar is geen speld tussen te krijgen. Maar het blijft natuurlijk onvoorspelbaar hoe de diverse betrokkenen hierop gaan reageren. Ik merk dat er onder ambtenaren veel enthousiasme bestaat. Meestal zijn zij bezig met de toekomst, met abstracte concepten, met weidse verten. Veel ambtenaren zijn blij dat ze nu ook eens mogen terugkijken om basale vragen te stellen. Zoals: wat is het effect geweest van het beleid dat we de afgelopen jaren hebben gevoerd? Hebben de geïnvesteerde miljoenen wel het gewenste resultaat gehad?

Een minister als Eveline Herfkens is groot voorstander van deze manier van werken. Het past ook in de lijn van verantwoording afleggen en effectiviteit meten die ze bij Ontwikkelingssamenwerking heeft uitgezet. Bij andere bewindslieden zie ik meer koudwatervrees. Er heerst een zekere angst voor een afrekencultuur. Zo van: minister, u heeft de wachtlijsten niet op orde, u kunt wel gaan. Als dat mechanisme in werking wordt gezet, is deze nieuwe manier van werken gedoemd te mislukken. Aan de andere kant kan het ook heel gezond zijn als ministers met lood in de schoenen naar de Kamer komen. Als je drie, vier jaar achtereen in jaarverslagen en rapporten van de Rekenkamer kunt lezen dat beleid niet het gewenste resultaat heeft gehad, is er alle reden om een ernstig gesprek te voeren tussen Kamer en minister. Daar moeten we niet al te bang mee omgaan.

Ik maak me eigenlijk nog het meest zorgen over het enthousiasme in de Kamer voor deze nieuwe manier van werken. Kamerleden zouden moeten knokken om een jaarverslag met de bewindslieden te mogen doorspitten. Met de mond belijden Kamerleden wel dat ze het heel belangrijk vinden wat zich de komende weken allemaal tussen Kamer en kabinet gaat afspelen. Maar of het bij hen al belangrijk voélt – dat kan ik helaas nog niet van iedereen zeggen. Mijn `slechte ik' hoopt een beetje dat een paar bewindslieden enigszins in het nauw komen doordat ze op onderdelen geen goed verhaal hebben. Dat zou de motivatie bij de diverse fracties beslist ten goede komen.''