Klan-leden staan na 37 jaar terecht

Twee verdachten van een beruchte racistische bomaanslag in het zuiden van de Verenigde Staten zijn gisteren na bijna 37 jaar in staat van beschuldiging gesteld. Bij de aanslag op een zwarte kerk in Birmingham, in de staat Alabama, kwamen vier meisjes om het leven.

De twee mannen, allebei voormalige leden van de Ku Klux Klan, meldden zich bij de politie nadat een grand jury (kamer van onderzoek) hen in verband met de bomaanslag had beschuldigd van moord. De mannen ontkennen iedere betrokkenheid bij de actie tegen de Sixteenth Baptist Church.

Op zondag 15 september 1963 werd vanuit een rijdende auto een bom van dynamiet naar de kerk gegooid. De ontploffing kostte drie meisjes van veertien en een van elf het leven. Veertien mensen werden gewond.

De bloedige aanslag, die leidde tot grote verontwaardiging en een golf van geweld, wordt nog altijd gezien als een van de gruwelijkste acties uit de periode van de zwarte burgerrechtenbeweging. Enkele maanden eerder was de politie begonnen met honden en brandslangen op te treden tegen demonstraties onder leiding van dominee Martin Luther King Jr. Spike Lee maakte de film 4 Little Girls over het drama in Birmingham.

Onderzoek van de FBI noemde vier leden van de Ku Klux Klan als verdachten: Robert Chambliss, Bobby Frank Cherry, Herman Frank Cash en Thomas Blanton Jr. Maar niemand werd in staat van beschuldiging gesteld.

In 1971 werd de zaak heropend en zes jaar later werd Chambliss veroordeeld tot levenslang. Hij hield vol dat hij onschuldig was en stierf in 1985 in de gevangenis. Cash stierf zonder dat hij ooit in staat van beschuldiging was gesteld. Een onderzoek van Justitie wees in 1980 uit dat FBI-topman J. Edgar Hoover vervolging van de vier klansmen in de jaren zestig had tegengehouden.

Maar na een tip heropende de FBI het onderzoek in 1997 opnieuw, wat leidde tot de aanklacht van gisteren tegen Blanton en Cherry. De twee kunnen veroordeeld worden tot levenslang.