Geen smetteloze conduitestaat

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Het grootste zorgenkind op het departement van minister Pronk is de Rijksgebouwendienst (RGD). Begin 1999 veranderde die in een zelfstandig agentschap, waardoor de rechtstreekse controle van het ministerie op de dienst verminderde. Maar minister Pronk bleef wel eindverantwoordelijk voor de Rijksgebouwendienst, die ruim duizend gebouwen beheert met een totale boekwaarde van ruim acht miljard gulden.

De Rekenkamer constateert dat de operatie vooralsnog op een mislukking is uitgelopen. De Rijksgebouwendienst is met name gehinderd door de afwezigheid van voldoende boekhoudkundige kennis en een vlot lopende administratie. De RGD worstelde in 1999 zeer met het opstellen van een openingsbalans voor de waarde van al haar eigendommen en de daarmee gepaard gaande kosten en baten. Het financiële beheer bij de Rijksgebouwendienst vertoonde volgens de Rekenkamer in het algemeen ,,ernstige tekortkomingen''. De Rekenkamer verlangt snel actie van Pronk.

De minister onderschreef weliswaar de conclusies van de Rekenkamer, maar de maatregelen die hij voorstelde om de zaak te herstellen konden geen genade vinden in de ogen van de Rekenkamer. ,,Die waren volgens ons niet voldoende om volgend jaar een verbetering tot stand te brengen'', aldus een woordvoerder van de Rekenkamer.

Daarom neemt de Rekenkamer nu haar toevlucht tot een bezwaaronderzoek, een zwaar middel dat maar zelden wordt toegepast. Helemaal alleen staat minister Pronk hierin overigens niet. Ook de ministers Korthals (Justitie) en De Grave (Defensie) zullen zich aan zo'n bezwaar-procedure moeten onderwerpen.

Ook op andere terreinen is de conduitestaat van VROM niet smetteloos. Toen de Rekenkamer het departement van Pronk en staatssecretaris Remkes in 1998 doorlichtte, schortte het er onder meer aan de automatisering en aan het beheer van gelden, die door de Europese Unie waren verstrekt.

Hoewel daarin intussen veel is verbeterd, tekenen zich nu nieuwe problemen af. Zo vertoonde vorig jaar de administratieve organisatie op het departement mankementen. Bovendien constateert de Rekenkamer dat het financieel beheer achteruit is gegaan ten opzichte van het jaar daarvoor.

De Rekenkamer deed voorts een poging het rendement van een aantal specifieke beleidsonderdelen vast te stellen. Dat betrof onder andere het klimaatbeleid.

De Tweede Kamer had graag willen weten in hoeverre de CO2-uitstoot per sector (bij voorbeeld industrie en wegverkeer) is verminderd door het gevolgde beleid. De Rekenkamer constateert dat de koppeling tussen beleidsresultaten en ingezette middelen echter onduidelijk is, mede omdat er gegevens ontbreken over de activiteiten en uitgaven van andere ministeries.

Zo houdt het ministerie van Economische Zaken zich bij voorbeeld ook bezig met maatregelen om een zuiniger energieverbruik te stimuleren. De Rekenkamer beveelt minister Pronk, als coördinerend minister voor het klimaatbeleid, daarom aan in de toekomst ook de gegevens van andere ministeries in zijn cijfers te verwerken.

    • Floris van Straaten