De Nederlandsche Bank past bescheidenheid

De monetaire wereld verandert, de Europese Centrale Bank beïnvloedt de positie van nationale centrale banken en De Nederlandsche Bank zit in een identiteitscrisis. In plaats van het overgebleven takenpakket angstvallig te verdedigen, zou de bank er goed aan doen met hervormingsvoorstellen te komen, menen Ivo Arnold, Dave Smant en Casper de Vries.

De golf van bankfusies en het door wisselkoerszekerheid gestimuleerde pan-Europese beleggingsbeleid van onze pensioenfondsen laten zien welke enorme economische krachten de EMU al heeft losgemaakt. De komst van de ECB beïnvloedt natuurlijk ook de positie van de nationale centrale banken. Een deel van hun takenpakket, zoals het monetair beleid, is overgeheveld naar Europees niveau. Schaalvoordelen en harmonisatie van regelgeving pleiten er verder voor om op termijn ook andere taken te reorganiseren, zoals het delegeren van het financiële toezicht aan een Europese toezichthouder.

Het World Onlinedebacle toont aan dat de instituties op de Nederlandse financiële markten te klein zijn geworden om enig gewicht in de wereldschaal te leggen. Op den duur zal de verspreiding van elektronisch geld ook de distributie van chartaal geld overbodig maken. Deze ontwikkelingen hebben de lokale centrale banken in een weinig benijdenswaardige positie gedrongen.

Onder het motto `de aanval is de beste verdediging' kruipt DNB uit haar ivoren toren. Het recente tweeluik in deze krant is daarvan een voorbeeld. Meer openheid bij DNB is toe te juichen: openheid van publieke instellingen is immers een belangrijke voorwaarde voor het functioneren van de democratie. Het is echter jammer dat de recente profileringsdrang van DNB meer gericht lijkt op het beschermen van haar bevoorrechte positie `tussen markt en overheid', dan op het stimuleren van een fundamentele discussie over de rol van DNB in de guldenloze samenleving.

Over zijn inbreng in de ECB ontviel bankpresident Wellink de uitspraak: `Natuurlijk probeer ik de Nederlandse belangen te verdedigen'. Hoewel begrijpelijk in een nationale publiekscampagne, is deze uitspraak volkomen in strijd met de geest én de letter van de taakopdracht die Wellink volgens het Verdrag van Maastricht heeft. Wellink dient als lid van het ECB-bestuur alleen te kijken naar het monetaire plaatje voor de gehele EMU en niet de nationale deelbelangen te verdedigen, zelfs niet die van Nederland.

Volgens Wellink kunnen de Oost-Europese landen voorlopig nog maar beter niet toetreden tot de EMU. Maar dat is een politieke zaak, waar DNB buiten staat. En passant worden echter ook nog de bij de totstandkoming van de EMU zo benadrukte economische convergentiecriteria als irrelevant terzijde geschoven. Dat wekt weinig vertrouwen in de hardheid en de economische relevantie van de toetredingscriteria. Wellink beargumenteert zijn mening met een verwijzing naar de Azië-crisis, waarin kunstmatig vastgehouden wisselkoersen een belangrijk aandeel hadden.

Maar deze vergelijking is volledig misplaatst. Vergeleken met vaste wisselkoersen hebben muntunies nu juist het voordeel dat ze niet vatbaar zijn voor de speculatiegolven die Azië hebben geteisterd. Vandaar de consensus onder economen, dat wanneer naar wisselkoersstabiliteit wordt gestreefd, een muntunie de beste weg is. Een lage inflatie en een lage rente zijn niet alleen goed voor ons, maar ook voor de Oost-Europese buren. Hoe eerder zij hierin kunnen delen, hoe beter. De weerstand tegen de toetreding ademt een nauwelijks verholen eigenbelang.

Het toezicht op financiële instellingen ontstijgt DNB vanwege de fusies tussen banken en verzekeraars binnen en buiten de landsgrenzen. Bovendien, financiële innovaties die de scheidslijn tussen spaar-, verzekerings- en beleggingsproducten doen vervagen, verdienen functioneel toezicht. Daarbij moet niet de aard maar de functionaliteit van het financiële product bepalend zijn voor het toezicht. Dat verdient de de voorkeur boven het huidige gesegmenteerde model. DNB heeft na druk van het ministerie van Financiën uiteindelijk ingestemd met een nieuw overkoepelend orgaan voor het toezicht op financiële instellingen. De weerstand van DNB doet vooralsnog meer denken aan territorium-afbakening dan aan een inhoudelijke discussie over de toekomst van het toezicht op financiële instellingen.

Nederlandse centrale bankiers lezen politici graag de les over het begrotingsbeleid. Volgens DNB directeur Brouwer mag DNB deze waakhondfunctie niet verliezen. Maar deze zelf aangemeten taak heeft geen wettelijke en economische basis. Begrotingsbeleid is binnen de grenzen van het Stabiliteitspact een zaak van regering en parlement. DNB wijst vaak op het inflatoire effect van een begrotingstekort, waardoor begrotingsbeleid zou kunnen botsen met monetair beleid. Dit is een misverstand. Nu het monetaire beleid in handen is van de onafhankelijke ECB, heeft budgettair beleid van de nationale overheid met inflatie niets te maken.

Evenzo kritisch moeten de bezwaren worden bezien die DNB heeft geuit tegen de belastingherziening 2001. Volgens DNB werkt de belastingherziening op korte termijn procyclisch en dus inflatieverhogend. Maar de belastingherziening is een doordacht plan om op lange termijn de groei van de Nederlandse economie structureel te verbeteren. De belastingherziening is bovendien budgettair neutraal, want zij is allang verwerkt in geplande ombuigingen.

Het stabiliseren van de waarde van de gulden is lange tijd een hoofdtaak van DNB geweest. Na het wegvallen hiervan verkeert DNB begrijpelijkerwijs in een identiteitscrisis. Maar zou het niet veel nuttiger zijn als DNB met creatieve hervormingsvoorstellen komt, in plaats van haar overgebleven takenpakket angstvallig te verdedigen? Waarom niet openlijk gesproken over de alternatieven voor het huidige stelsel van financieel toezicht? Ook zou DNB actiever kunnen bijdragen aan de Europese integratie op dit terrein. Voorstellen tot een slagvaardige bestuursstructuur voor de ECB na uitbreiding van de EMU zijn eveneens zeer welkom en zouden DNB tot een belangrijke discussiepartner maken. Om allerlei redenen leidt het elektronisch geld op dit moment een kwijnend bestaan. DNB kan haar innovatief vermogen tonen door het gebruik van dit geld te stimuleren.

De tijd dat DNB haar gezag ontleende aan de status van de gulden, is voorbij. Voortaan zal de bank gezag moeten verdienen op basis van de kwaliteit van haar economische analyses en haar toegevoegde waarde in de lappendeken van Europese financiële instanties.

Dr. Ivo Arnold is universitair hoofddocent economie aan de Universiteit Nyenrode. Dr. Dave Smant is universitair docent monetaire economie en prof. dr. Casper de Vries is hoogleraar internationale economie, beiden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    • Ivo Arnold
    • Casper de Vries
    • Dave Smant