Anglomanie en anglofilie

Ian Buruma heeft een aardig boek geschreven over een eigenaardig onderwerp. Het heet Voltaire's coconuts en heeft als ondertitel Anglomania in Europe. De eerste anglomaan die in het boek wordt behandeld, is dan ook Voltaire. In de volgende hoofdstukken komen verschillende andere auteurs aan het woord, Goethe bijvoorbeeld, maar ook minder bekende helden van de geest, meestal één per hoofdstuk. De hoofdpersonen staan doorgaans voor een bepaald thema of aspect van de anglomanie, de Engelse vrijheidszin bijvoorbeeld, of het Engelse landschap, de gentleman, de public school, de sportbeoefening. Tussen deze laatste drie thema's bestaat trouwens een zeker verband, want de Engelse gentleman kwam van een public school en op die school werd veel aan sport gedaan.

Een van de bekendste anglofielen was de Franse baron Pierre de Coubertin, de stichter van de moderne Olympische Spelen, die de Franse jeugd wilde opvoeden naar Engels model. Had niet de hertog van Wellington al verklaard dat de Slag bij Waterloo was gewonnen op de sportvelden van Eton? De Engelse public school en de fysieke en morele opvoeding die de jeugd daar kreeg, waren voor Coubertin het model voor een goede opvoeding. Coubertin dacht hierbij overigens eerder aan Rugby School dan aan Eton College. Dat kwam door de master van Rugby, dr. Arnold, die als een groot pedagoog bekend stond, en door het boek Tom Brown's school days, dat op Rugby speelt.

Coubertin was geboren in 1868 en stierf in 1937. Hij reisde voor het eerst naar Engeland in de jaren tachtig. Zijn acties ten behoeve van het herstel van de Olympische Spelen vonden hun hoogtepunt in de jaren negentig. In 1894 leidde zijn oproep tot een congres in de Sorbonne in Parijs en in 1896 werden de eerste moderne spelen gehouden, uiteraard in Athene.

Hoewel de officiële Franse sport- en gymnastiekideeën meer Duits dan Engels waren geïnspireerd, waren er in die tijd heel wat anglofielen in Frankrijk en in het bijzonder in Parijs, waar Le Jockey Club en Le Racing Club bolwerken van de aristocratie waren. Er waren ook veel Fransen die over Engeland schreven, onder wie beroemde auteurs als Hippolyte Taine. Het meest anglomane boek dat ooit in Frankrijk is verschenen, is echter van een andere, thans vrijwel vergeten auteur, Ed. Demolins, die zijn boek de niet mis te verstane titel A quoi tient la superiorité des Anglo-Saxons meegaf.

Buruma noemt dit boek in zijn bibliografie, al spelt hij de auteursnaam verkeerd, maar hij spreekt er verder niet over. Dat hoeft ook niet, want je kunt natuurlijk niet alles behandelen. Toch is Demolins' boek curieus genoeg om, al is het voor een ogenblik, aan de vergetelheid te worden ontrukt. Zijn studie, waarvan onderdelen eerder waren gepubliceerd in het tijdschrift La Science sociale, verscheen in 1897 in boekvorm en werd onmiddellijk een groot succes. Het boek werd in acht talen vertaald.

Demolins was een sociale wetenschapper uit de school van Fréderic le Play. Hij maakte zich, zoals veel Fransen van zijn tijd, zorgen over de toekomst van zijn land. De bevolkingsgroei stagneerde, er was te weinig ondernemingszin, de middenklasse verarmde, de rol van de staat was te groot, de koloniale politiek inefficiënt. Evenals veel andere Fransen zag hij in Engeland het grote voorbeeld van hoe het wel moest.

En, alweer zoals veel anderen, zag hij de sleutel voor het Engelse succes in de Engelse opvoeding. Terwijl de jonge Fransen algemene, abstracte ideeën leerden, ontwikkelden de Engelse jongelui praktische vaardigheden.

De basis hiervoor werd volgens Demolins al in het Engelse gezin gelegd. Zelfs in de nederige milieus heeft men daar een home en in dat home leren de kinderen hoe zich te kleden, te praten et cetera. In Engeland bestaat daarom volgens de auteur geen ondergeschikte, erfelijke lagere klasse zoals elders. Een opmerkelijke illustratie hiervan is het feit dat `het angelsaksische ras' weinig bedienden voortbrengt. In Engeland en Amerika, zo observeerde Demolins, worden die beroepen over het algemeen vervuld door mensen van keltische, germaanse of latijnse oorsprong. Het Engelse huispersoneel daarentegen levert voornamelijk voorbeelden van een hoger type, de gouvernante.

Deze zegenrijke gezinssituatie wordt verder ontwikkeld door de Engelse opvoeding en het Engelse onderwijs. De auteur vertelt uitvoerig hoe een typische schooldag er in Engeland uitziet. Deze omvat vijf uur intellectuele arbeid, vooral 's ochtends, vier en een half uur lichaamsoefening en handenarbeid, vooral 's middags, en ten slotte tweeëneenhalf uur kunst en recreatie, 's avonds. Daarnaast is er nog drie uur voor rust en vrije tijd. Samen met negen uur slaap maakt dat precies vierentwintig uur.

In een tabel wordt dit schema in detail in kaart gebracht: 6.15 opstaan en licht ontbijt, 6.30 lichaamsoefeningen, 6.45 eerste les, 7.30 kapel, 7.45 breakfast (een serieuze maaltijd met eieren en bacon) daarna kamer opruimen, 8.30 tweede les, 10.45 lichte lunch (bij mooi weer oefening van de longen in de buitenlucht, met ontbloot bovenlijf), 11.15 derde lesuur, 12.45 zingen of in de rivier zwemmen (al naar het seizoen), 1.00 diner, 1.30 orgel- of piano-oefeningen, 1.45 werk in de tuin of excursies te voet of per fiets, 4.00 werk in het atelier, 6.00 thee, 6.30 zang, muziek, concert, 8.30 souper en kapel, 9.00 naar bed. Op deze wijze, schreef Demolins, worden alle menselijke vaardigheden ontwikkeld en ontstaat een harmonische persoonlijkheid. Dat moest in Frankrijk ook gebeuren.

Demolins was een kind van zijn tijd. Zijn opmerkingen over het `angelsaksische ras' wijzen hier al op. Ook een enkele antisemitische passage ontbreekt niet. Het boek verscheen in 1897 en het jaar daarop brak zowel de Dreyfus-affaire als de Engels-Franse crisis over Fasjoda uit. Zowel het antisemitisme als de Frans-Engelse relaties kregen hierdoor een grote actualiteit. Er werd dan ook vurig over Demolins' ideeën gedebatteerd, zowel in Engeland als in Frankrijk. Daarna is het stil geworden rond dit boek.

Onlangs is het echter opnieuw uitgegeven. De uitgevers van deze nieuwe editie hebben besloten enkele passages te schrappen, omdat deze een antisemitische strekking hebben en zulks, naar hun mening, thans niet meer acceptabel is. Dit is een verbluffende beslissing, want op deze manier zal er nog heel wat geschrapt en gezuiverd moeten worden. Er bestaan immers maar weinig boeken uit die tijd die geen antisemitische opmerkingen bevatten. Om van de rest maar te zwijgen, want wat er allemaal geschreven is over heidenen en islamieten, Japanners en Chinezen, negers en roodhuiden, mulatten en mestiezen, kaffers en hottentotten is helemaal niet te overzien. De hele wereldliteratuur zal gezuiverd en herschreven moeten worden als dit principe algemeen wordt aanvaard. Dat lijkt mij geen goed idee.

    • H.L. Wesseling