`Alles wat fout kan gaan, kan wanbeleid zijn'

Al dertig jaar lang buigt de ondernemingskamer van het Amsterdamse Gerechtshof zich over de vraag of bedrijven zich schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid. De laatste vier jaar is het aantal zaken van de ondernemingskamer bijna verdrievoudigd.

`De Ondernemingskamer!'' roept de bode. Even later schrijden vijf heren op leeftijd de zittingszaal in het statige Amsterdamse Gerechtshof binnen. Drie dragen een toga, de raadsheren, twee zijn in burger. Dat zijn de `raden', deskundigen uit de samenleving (bedrijfsleven, accountancy, vakbond) die de rechters bijstaan bij het behandelen van de vaak uiterst gecompliceerde kwesties en conflicten waarmee de ondernemingskamer te maken krijgt.

Neem de zaak van vanochtend. Het beursgenoteerde bedrijf De Vries Robbé (staalconstructies en detachering van technisch personeel) wordt al drie jaar zowat lamgelegd door een conflict tussen de huidige leiding en een voormalig grootaandeelhouder. Die laatste heeft in 1998 drie bedrijfjes bij De Vries Robbé ondergebracht en zich laten betalen in aandelen ter waarde van 40 miljoen gulden. Een jaar later bleek echter dat deze bedrijfjes een negatief vermogen (lees: schulden) vertegenwoordigden, een feit dat ten tijde van de deal zorgvuldig verborgen is gehouden. De huidige leiding voelt zich bekocht en stapte naar de ondernemingskamer met het verzoek tot het instellen van een enquête naar de precieze gang van zaken in 1998. Hierbij speelt een belangrijke rol dat vertegenwoordigers van die grootaandeelhouder in dat jaar bij het bedrijf aan de touwtjes trokken en ook nu nog veel macht hebben bij De Vries Robbé. Volgens de advocaat van de huidige leiding misbruiken zij deze macht nu ,,om in het verleden mede onder hun verantwoordelijkheid gepleegd wanbeleid te bemantelen''. De advocaat van de voormalig grootaandeelhouder spreekt van `laster en leugens' en van `pogingen van De Vries Robbé om het eigen falen te maskeren'.

De Vries Robbé vormt voor het hof een bijzonder geval, want nog niet eerder kwam het voor dat een bedrijf een enquêteverzoek indient naar het eigen beleid. Sinds het enquêterecht in zijn huidige vorm is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (1971) is dit initiatief vooral uitgegaan van aandeelhouders en vakbonden. Zo sleepte FNV Bondgenoten vorig jaar de top van scheepswerf YVC voor de ondernemingskamer. Als de situatie bij een bedrijf het algemeen belang bedreigt, kan ook het parket zelf (de advocaat-generaal) het initiatief nemen, zoals gebeurde bij levensverzekeraar Vie d'Or en ook eind jaren tachtig bij OGEM, de casus classicus van wanbeleid in het Nederlands bedrijfsleven. Huub Willems, voorzitter van de ondernemingskamer vanaf 1996: ,,De codificatie van de enquêtezaken is nog wat chaotisch; ik trek geen boek uit de kast waar ze allemaal in staan. Driekwart bestaat uit conflicten binnen kleine tot zeer kleine bedrijfjes, soms zelf van echtgenoten. Ik werk nu aan een boek over de ondernemingskamer waarin dat allemaal glashelder op papier komt te staan.''

De enquêteprocedure is een `tweetrapsraket' die als een bom kan inslaan. In de eerste fase dient een van de genoemde partijen een enquêteverzoek in. Dit verzoek wordt toegewezen als de ondernemingskamer oordeelt dat er `gegronde reden is tot twijfel aan een juist beleid'. In dat geval worden een of meer deskundige onderzoekers benoemd die een rapport opstellen. De onderzoekers worden betaald door hun onderzoeksobject. Hun rekening kan fors in de papieren lopen: voor het onderzoek bij levensverzekeraar Vie d'Or werd 600.000 gulden in rekening gebracht. Willems: ,,Deze onderzoekers zijn deskundigen van verschillende pluimage. Hun beschikbaarheid is voor ons wel een punt van zorg dat permanente aandacht behoeft. We proberen ons netwerk steeds verder uit te bouwen. Onze lekenrechters, de raden, oud-ondernemers van onder meer DSM, Philips en Nationale Nederlanden, spelen hierin een belangrijke rol.'' Deze onderzoekers moeten alle vrijheid krijgen van het bedrijf; de wet biedt zelfs de mogelijkheid dat de `sterke arm van het gezag' de bevoegdheden van de onderzoekers zekerstelt. Willems: ,,Ik kan me niet herinneren dat de ME ooit moest uitrukken om orde op zaken te stellen in het archief van een bedrijf. Wel is het zo dat de onderzoekers soms stevig op hun strepen moeten staan.'' Is het rapport klaar, dan neemt de kamer de `deponeringsbeslissing': wat gebeurt ermee in termen van openbaarheid? Willems: ,,Vaak wordt het rapport ter inzage gelegd `van een ieder'. Dat is meestal het geval bij enquêtes tegen grote bedrijven. Maar we kunnen ook beslissen slechts inzage toe te staan aan belanghebbenden of zelfs slechts aan betrokkenen. Thans ligt het rapport inzake de YVC-werf voor een ieder ter inzage; de onderzoeker spaart de leiding van de Schiedamse scheepsbouwer daarin niet. De deponeringsbeslissing markeert het einde van de eerste fase.

In de tweede fase bestuderen de belanghebbenden het rapport en vragen de ondernemingskamer als ze daarvoor voldoende reden zien het definitieve oordeel uit te spreken via een `verzoekschrift tot het vaststellen van wanbeleid'. Hiertoe is er opnieuw een zitting waarbij advocaten van beide kanten pleiten voor het wel of het juist niet vaststellen van wanbeleid. Willems: ,,Het onderzoek richt zich op de feiten. Het is aan de ondernemingskamer aan die feiten de kwalificatie wanbeleid te koppelen.'' Het oordeel is zwart of wit: wel wanbeleid of geen wanbeleid. Is voor grijstinten dan helemaal geen plaats? Willems: ,,Gucci werd op twee punten schuldig bevonden in hun gedrag jegens het Franse LVMH en in het geval van Verto zeiden we: slecht beleid, maar geen wanbeleid. Maar dat laat onverlet dat onze beslissing ten principale zwart is of wit.''

De bedrijven waar wanbeleid werd vastgesteld vormen een illustere lijst: OGEM, Vie d'Or, Bredero, TextLite, Bobel. Wellicht wordt deze lijst binnenkort aangevuld met De Vries Robbé, maar bij dat bedrijf moet eerst nog worden besloten tot het instellen van de enquête zelf.

Wat zijn zoal de overwegingen om ergens wanbeleid vast te stellen? Willems: ,,Er is sprake van wanbeleid als er is gehandeld in strijd met de elementaire beginselen van goed beleid. Veel duidelijker kan ik, vrees ik, moeilijk worden, want de variaties zijn eindeloos.

Het moet wel gaan om iets structureels; incidentele misslagen kwalificeren in de regel niet. Denk aan voortdurende conflicten binnen het bestuur van een bedrijf dat daardoor niet meer kan functioneren, het structureel negeren van de belangen van het personeel, het doelbewust handelen tegen de belangen van het bedrijf in. In principe geldt: alles wat fout kan gaan, kan ook wanbeleid zijn.''

Wat gebeurt er met een bedrijf als wanbeleid eenmaal is vastgesteld? In dat geval geeft de wet de ondernemingskamer de mogelijkheid tot het treffen van talrijke `voorzieningen'. De meest rigoureuze is het `ontbinden van de rechtspersoon'. Willems: ,,Dat is ooit gebeurd met het taxibedrijf Van der Klis. Dat werd geliquideerd in het algemeen belang. Er lopen nu wat kleine liquidaties.'' Ook komt veel voor het ontslaan van bestuurders; recent nog heeft de ondernemingkamer de top van Morepa Noro (een assuradeur uit Nijmegen) naar huis gestuurd. Willems: ,,We geven de vennootschap dan de kans opnieuw te beginnen onder een nieuwe leiding.''

Veel komt ook voor dat wordt besloten tot vernietiging van het vaststellen van de jaarrekening (Vie d'Or) of van het dechargebesluit van de bestuurders (OGEM). Hiermee valt de verantwoordelijkheid terug op de accountants en bestuurders van het moment dat het wanbeleid werd vastgesteld. Dit opent de weg tot civiele aansprakelijkheid, al blijkt in de praktijk dat deze weg uiterst moeizaam is. In het geval van Vie d'Or is wanbeleid vastgesteld en is ook de verantwoordelijke accountant tot twee keer toe tuchtrechtelijk veroordeeld. Helderder kun je het niet krijgen. Toch lijkt het maar niet te lukken de verantwoordelijken veroordeeld te krijgen.

Vaak wordt niet begrepen dat de ondernemingskamer een belang dient dat geheel losstaat van de rechtsgang in civiele en in strafzaken waarbij het gaat om het verschaffen van genoegdoening dan wel het straffen van daders. Bij de ondernemingskamer staat het belang van het bedrijf voorop. Ook een van de advocaten die namens de tegenstanders van een enquête tegen De Vries Robbé pleit, trapt in die val. Hij zegt: ,,Er loopt thans een strafrechtelijk onderzoek tegen tal van betrokkenen bij de deal uit 1998. Als er iets is gebeurd wat niet door de beugel kan, zullen we dat daar wel merken. Een enquête heeft geen enkele zin en is overbodig.'' Willems maakt direct korte metten met deze redenering: ,,De ondernemingskamer dient een eigen belang.'' De president maakt zelf onderscheid in drie typen enquêtes. Het eerste is die waarin het ergens fout gaat en de bedoeling is om de zaak weer op de rails te krijgen. Het tweede, dat je vaak ziet bij grote bedrijven, is aan de orde als het bedrijf al bijna naar de knoppen is en er verantwoordelijken worden gezocht zoals bij De Vries Robbé. Willems: ,,Het derde type zijn de gevallen waarin de ondernemingskamer een oplossing biedt door het treffen van een zogeheten `voorlopige voorziening'. Formeel zeggen we dan na het indienen van een enquêteverzoek: er zijn aanknopingspunten een enquête te starten, maar laten we nu eerst eens kijken hoe het gaat als we een maategel nemen. Een mooi voorbeeld is dat van Visser Stroopwafels, ooit een kraampje in de Jordaan maar nu leverancier van Albert Heijn. De twee aandeelhouders hadden zo'n ruzie dat het bedrijf werd bedreigd. Wij hebben toen een onderzoeker benoemd en een tijdelijk bestuurder aangesteld. Dit heeft de sfeer zodanig opgeklaard, dat we het hierbij hebben kunnen laten.''

Zou je in dit verband kunnen spreken van een `kort geding-situatie' voor het ingrijpen in acute problemen van bedrijven? Willems: ,,Dat is juist. Recent kwam per e-mail 's avonds om elf uur een zeer urgente zaak binnen. De volgende ochtend was de zitting, direct gevolgd door de uitspraak in de voorlopige voorziening: er is een onderzoeker van start gegaan en een tijdelijk bestuurder benoemd. Zo willen we ook werken: als ergens brand is, rukken wij uit.''

Ook de advocaten van het huidige bestuur van De Vries Robbé vragen om een voorlopige voorziening: de benoeming van een nieuwe commissaris. De kamer wijst dit toe. Ook in de YVC-zaak werd bij de behandeling van het verzoek tot het instellen van een enquête om een voorlopige voorziening gevraagd (het wegsturen van de top van YVC IJsselwerf) maar dat werd toen niet toegewezen.

Willems noemt de complexiteit van de zaken vaak groot, al is de onderliggende problematiek meestal vrij helder. Willems: ,,Gucci was zwaar, maar het feitencomplex weer helder. De Vries Robbé ziet er ook helder uit. Zeer zwaar was Vie d'Or; in het onderzoeksrapport kwam van alles aan de orde, het was een bulk aan vaak zeer technische informatie.''

Het aantal zaken van de ondernemingskamer (naast enquêtezaken vooral ook zaken rond medezeggenschap in het kader van de Wet op de Ondernemingsraden) is in vier jaar tijd bijna verdrievoudigd. Wat wil dat zeggen over de ethiek in het vaderlandse bedrijfsleven? Willems: ,,Het is een maatschappelijk verschijnsel dat mensen steeds sneller steeds meer geld willen hebben. Iedereen danst rond om het gouden kalf. Ik denk dan: is dat nu de reden van ons menselijk bestaan? Ik zet daar grote vraagtekens bij, zeker.''

    • Micha Kat