`We worden aan ons lot overgelaten'

Nee, het gaat niet goed met Servet Tuluk. Zijn gezin heeft slecht geslapen, zijn vrouw heeft pijn aan de wonden in het gezicht en gisteren kreeg hij ook nog eens een ,,afschuwelijke woning'' aangeboden in Losser. Een huis waar de wastafels op de grond lagen en het behang van de muren was gescheurd.

Die woning heeft Tuluk uiteindelijk geweigerd. ,,Daar kan toch geen mens wonen'', zo zegt hij. ,,Je had het moeten zien, een vreselijk huis. Alles kapot, alles vies. Daar kun je geen gezin met kinderen plaatsen.'' En dus heeft hij de afgelopen nacht maar weer geslapen bij kennissen. ,,Bij andere kennissen. We hebben nog niet één nacht op dezelfde plek geslapen. We zijn met z'n vijven, we kunnen nergens lang blijven, zoveel ruimte hebben die mensen ook weer niet.''

Nu staat hij in de rij bij de bank voor de tijdelijke lening die daar af te halen is. En daarna gaat het rechtstreeks naar de Sociale Dienst. Want Tuluk, zoveel wordt wel duidelijk, wil zo snel mogelijk met hulpverleners praten. Met maatschappelijk werkers, andere deskundigen. Hij weet niet, zegt hij, waar hij terecht kan met zijn vragen. ,,We worden min of meer aan ons lot overgelaten. Ik weet niet waar ik naar toe moet.''

Hij heeft nog niemand gesproken die geestelijke bijstand kan bieden. ,,We moeten de zaak weer een beetje op een rijtje krijgen. We slapen niet voor niets zo slecht. We denken allemaal nog veel aan de ramp, aan het huis dat boven onze hoofden instortte. Aan wat er met ons had kunnen gebeuren.''

De stemming is een beetje omgeslagen. Maandag kon Tuluk nog rustig wachten, zo zei hij. Nu lijkt het er op dat de tijd begint te dringen. Hij heeft hulp nodig bij het zoeken van een goed huis. Een huis waarin hij, zegt hij, met vrouw en kinderen weer wat op adem en tot rust kan komen. De rest komt dan weliswaar niet vanzelf, het wordt er wel wat gemakkelijker van. Een beetje bitter: ,,Tot nu toe heeft de hulp nog niet geleid tot een nieuwe woning.''