Vestdijk-kenner

Afgelopen maandag 15 mei is na een kortstondig ziekbed de literator en essayist Nol Gregoor overleden. Hij verbleef in het rusthuis Park Boswijk te Doorn. Gregoor verwierf bekendheid door zijn studies over het werk van Simon Vestdijk, overbuurman aan de Torenlaan in Doorn. Hij geldt als de grote Vestdijk-kenner van Nederland, die vooral belangstelling aan de dag legde voor het autobiografische karakter van diens werk. Gregoor komt voort uit een generatie van essayisten als Ter Braak en Gomperts, met het verschil dat hij voor de `vent' koos, de man achter de schrijver, en minder voor de `vorm'. Het is zijn verdienste dat hij personen en plaatsen uit de autobiografie van een schrijver van belang achtte voor de analyse van het werk.

Gregoors belangstelling voor Vestdijks leven ontstond nadat hij een stapel ansichtkaarten vond van Harlingen. Die schoof hij bij Vestdijk door de bus, waarna een diepe vriendschap ontstond. Aan de talrijke gesprekken die Gregoor voerde met Vestdijk, zowel over zijn werk als privé-aangelegenheden, dankte hij zijn boek Simon Vestdijk en Lahringen (1958). Lahringen staat voor het Friese Harlingen, waar Vestdijks Anton Wachter-romans zich afspelen.

Behalve kenner van het werk van Vestdijk was Gregoor een verwoed verzamelaar. Hij was in het bezit van het oermanuscript van Kind tussen vier vrouwen dat aanvankelijk voor publicatie was geweigerd. Met Vestdijk, die in 1971 overleed, had hij afgesproken het manuscript te publiceren, voorzien van een inleiding en aantekeningen. Tussen 1962 en 1971 werkte Gregoor als redacteur en later redactiechef voor de Vara Gids. In een van de laatste interviews die hij gaf voor Vara Media Magazine (april 1998) zei hij dat hij het meeste plezier had beleefd aan de interview-serie uit de jaren zestig Nol Gregoor in gesprek met... Hij voerde openhartige gesprekken met onder meer Bordewijk, Remco Campert, Hans Andreus en de jonge Harry Mulisch. Wanneer een auteur, zoals Mulisch of Bordewijk, onderscheid wenste te maken tussen de schrijver en de persoon, dan vond Gregoor dat `maar flauwekul'. Met Vestdijk verliepen de gesprekken anders: `Hem kon je alles vragen. Met hem kon ik intensief op zijn werk ingaan. Vestdijk deed dat graag. Hij had geen last van camouflages en was zeer bereid zijn werk te ontsluieren.'

Behalve essayist was Gregoor dichter. Tot op hoge leeftijd, zijn 71ste, wachtte hij met de publicatie van zijn prozaboek Mijn bange hand. Hij was een man van goede smaak, eruditie, stijl en standing. Over zijn levenslange toewijding aan Vestdijk kon hij ook ironisch zijn. Hij merkte over zichzelf op `de enige man in Nederland te zijn die achter bejaarde vrouwen aanzit', want hij bleef onvermoeibaar op zoek naar de vrouwen die in Vestdijks oeuvre als personage voorkwamen.

    • Kester Freriks