Richard Harris

In de serie profielen van hedendaagse filmsterren deze week Richard Harris, de 59-jarige zanger-acteur die sinds zijn debuut heeft gegrossierd in comebacks. Vanaf morgen is hij zowel in `Gladiator' als in `The Barber of Siberia' te zien.

Richard Harris (Limerick, 1 oktober 1930) heeft bij iedere generatie een andere reputatie. Voor de filmkenner boven de 55 is hij de Ier die voor zijn fabuleuze rol als rugbyspeler in het sociodrama This Sporting Life (Lindsey Anderson, 1963) de acteursprijs in Cannes kreeg. Voor de popfan uit de jaren zestig is hij de zanger die tien jaar vóór Donna Summer hoog in de hitparade kwam met het klassieke `MacArthur Park'. Voor de campliefhebber van een jaar of 35 is hij de tegenspeler van Bo Derek in de stompzinnigste Tarzan-film ooit gemaakt (Tarzan the Ape Man, 1981). En gezien het Amerikaanse succès fou van de Romeinenfilm Gladiator zal hij bij de bioscoopganger van de jaren nul vooral bekend blijven als de eerbiedwaardige keizer Marcus Aurelius.

,,My whole career someone has been rediscovering me'', zei Harris in 1994 tegen de Chicago Sun. Niet lang daarvoor was hij aan de vergetelheid ontrukt door regisseur Jim Sheridan, die hem de rol gaf van een King Lear-achtige boer in de Ierse plattelandsfilm The Field. Harris kreeg er een Oscarnominatie voor, zijn eerste sinds This Sporting Life, en werd vervolgens niet alleen gevraagd voor een eervolle bijrol als laffe Britse cowboy in Clint Eastwoods Unforgiven (1992), maar ook voor een van de hoofdrollen in de trage maar goed ontvangen oude-mannenfilm Wrestling Ernest Hemingway.

Dat Harris' carrière verschillende keren bijna ten einde kwam, is te wijten aan zijn woeste levensstijl. Al in de vroege jaren zestig stonden hij, Albert Finney en Peter O'Toole bekend als de angry young Irishmen van de filmwereld; het verhaal wil dat hij steevast de macho uithing, en bij de opnamen van Mutiny on the Bounty (1962) weigerde om neer te gaan bij een vuistslag van Marlon Brando `omdat het een slap handje was'. Drank en cocaïne maakten hem moeilijk om mee te werken, en nadat hij ruzie had gekregen met Antonioni op de set van Deserto Rosso, verdween hij voor het eerst uit de belangstelling. In 1967 maakte hij een comeback als koning Arthur in de musical Camelot, een rol waarmee hij in de jaren tachtig, toen hij van de ene op de andere dag geheelonthouder was geworden, op het toneel nog veel geld zou verdienen.

Een grote ster is Harris nooit geworden. Hij is een van die acteurs van wie je niet de naam onthoudt maar wel het gezicht: in zijn geval een doorleefde kop – wit haar, felle blauwe ogen – die ooit door een criticus werd omschreven als `five miles of bad Irish road'. Het was de alcohol die hem snel deed verouderen en geschikt maakte voor bezeten oude-mannenrollen; zelf pleegt Harris de schuld te geven aan de vijfjarentournee die hij als Arthur in Camelot maakte ,,Tegen de tijd dat de tour ten einde liep, was ik oud genoeg om Merlijn te spelen.''

    • Pieter Steinz