Reis naar Zwitserland (3)

In de zomer van 1942 passeerden we – mijn vrouw Ida en ik, en een ontsnapte Franse krijgsgevangene – de demarcatielijn. Die lijn scheidde het noorden van Frankrijk, dat door het Duitse leger was bezet, van het onbezette zuiden. Wie die grens overstak, was een stapje dichter bij de vrije wereld.

Aan de overzijde van de demarcatielijn werden we enthousiast ontvangen. Het halve dorp liep uit en we kregen het ene glas wijn na het andere aangeboden. Ida en ik hadden nog nooit van ons leven een druppel alcohol geproefd en na een uur zigzagden we dan ook lallend door de hoofdstraat. Nog een uur later waren we gearresteerd.

De politie bracht ons naar een vluchtelingenkamp in de buurt van Vichy. Het was geen concentratiekamp, de commandant droeg geen uniform en er was geen prikkeldraad. Eigenlijk was het helemaal geen kamp, maar gewoon een stal in een dorp. Je mocht er alleen niet weg en het was er ongelofelijk smerig. Doordat het eten meestal bedorven was, had iedereen constant dysenterie (geneesmiddel: opiumpillen, heerlijk!). Veel te eten was er overigens niet, maar we zorgden voor bijvoeding door onze sigarettenbonnen (alleen voor mannen!) tegen brood te ruilen, bij de boeren om eten te bedelen en hier en daar wat te gappen.

Je mocht het kamp wel uit als je een baan in een huishouding vond. Eerst solliciteerden we bij een Poolse graaf die in een eenzaam kasteel op de top van een berg vier prinsesjes onder zijn hoede had. Het zag er heel romantisch uit, maar zijn maîtresse had geen zin in ons, dus dat ging niet door. Meer succes hadden we bij een rijke zonderling in Clermont-Ferrand. De man woonde in zijn eentje in een huis van vier verdiepingen met een reusachtige tuin. Ons verblijf was in het garagegebouw. Daar stonden ook vier luxeauto's – op houten blokken omdat er geen benzine te koop was. De eigenaar verplaatste zich op een zelfgemaakte fiets, model Easy Rider.

Ida moest koken (wat ze nog nooit gedaan had) en ik fungeerde als huisknecht (in een prachtige witte rijbroek, cadeau van een liefdadige organisatie). Bij het opmaken van de man z'n bed moest je weten dat de sprei hetzelfde dessin had als het slaapkamerbehang en dat die twee precies op elkaar moesten aansluiten. Hij communiceerde met ons via een gammel bellensysteem dat ons de hele dag door het huis deed rennen, van salon C naar badkamer zuid naar bureau 4. Erger was dat we – alweer – bijna niks te eten kregen. We mochten namelijk niets zwart kopen, hoewel dat in Frankrijk in die dagen heel gewoon was.

In oktober kregen we een tip dat de Duitsers het Vichy-gebied binnenkort zouden gaan bezetten, zodat we beter een land verder konden gaan. We overlegden met onze werkgever, maar in zijn wereldvreemdheid vond hij dat we ons aan de normale opzegtermijn moesten houden. Dus namen we ons lot maar in eigen hand. De volgende dag stonden we om vier uur op, slopen de tuin uit en namen de trein naar Lyon.

    • Harry Cohen