DNB zoekt koelte in het hoogseizoen

Voor een oververhitting van de economie is al vaker gewaarschuwd. Met de forse bestedingsimpuls van volgend jaar in het verschiet, lijkt de zorg van bankpresident Wellink ditmaal terecht.

Het licht staat op oranje, zei president Wellink tijdens zijn toelichting op het jaarverslag van De Nederlandsche Bank, over de economie. Als het even kan, moet er worden geremd.

Nu zijn er wel vaker waarschuwende woorden gevallen tijdens de huidige hoogconjunctuur in Nederland, die de economie volgens de centrale bank door de gunstigste periode voert in 50 jaar. Drie jaar geleden was er al het Internationale Monetaire Fonds dat waarschuwende woorden liet vallen in zijn jaarlijkse beoordeling van de Nederlandse economie. Ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waarschuwt al geruime tijd voor oververhitting. En dat geldt ook voor De Nederlandsche Bank zelf – zij het telkens in een nieuwe variant.

Die oververhitting zou moeten komen in de vorm van een loon-prijsspiraal, maar tot nu toe is daar nog niet veel van gebleken. Terwijl de economie volgens calculaties van de zakenbank J.P. Morgan al drie jaar boven haar capaciteit opereert, blijft de inflatie redelijk in toom, en schommelt al jarenlang rond de 2 procent. Daar komt enig geluk bij kijken – zo drukte de Azië-crisis een inflatie-opleving in de herfst van 1998 de kop in. Of overheidsbeleid: het in de belastingaanslag onderbrengen van het kijk- en luistergeld drukt de inflatie in Nederland dit jaar met 0,6 procentpunt. Als dat er niet was geweest zou het inflatiecijfer over april niet 2,1, maar 2,7 procent zijn geweest, en reden tot licht alarm.

Over de loonontwikkeling bestaat intussen grote onduidelijkheid. Terwijl de stijging van de contractlonen voor de omstandigheden gematigd lijkt te zijn, is er niet veel zicht op de incidentele loonstijgingen die werknemers zelf bedingen als gevolg van de krappe arbeidsmarkt. Snellere promotie, hogere inschaling, eerdere periodieken, optieregelingen en bonussen, elders gaan werken tegen betere voorwaarden, het is allemaal moeilijk in de statistieken te vangen. In plaats van rond de drie procent zou de werkelijke loonstijging veel groter kunnen zijn.

Voeg daarbij de blijvende stijging van de huizenprijzen, waarvan het zogenoemde vermogenseffect door De Nederlandsche Bank is becijferd op 1,25 procent extra economische groei in 1999, en een groei van de Nederlandse geldhoeveelheid (M3) met ruim 13 procent (zo'n beetje het dubbele van het EMU-gemiddelde) en zelfs de meest verstokte nieuwe-economie-adept zal moeten beamen dat er wel een heel stevige en bestendige productiviteitsstijging moet aankomen om te zorgen dat de inflatie niet omhoogschiet. Zeker omdat het nationale rentebeleid niet langer voorhanden is om als rem te fungeren. De zoveelste waarschuwing voor oververhitting zou wel eens terecht kunnen blijken. Vandaar dat Wellink bij de presentatie van het verslag de aandacht richtte op volgend jaar. In plaats van dat het begrotingsbeleid in tijden als deze fungeert als rem op de economie, gooit het kabinet-Kok volgend jaar extra olie op het vuur. Het nieuwe belastingstelsel pakt onder de huidige omstandigheden zo gunstig uit voor het netto-inkomen, dat bij een contractloonstijging van 2,75 procent de koopkracht van de gemiddelde Nederlander volgend jaar met 5,25 procent omhoogschiet. Dat is, zo benadrukt de centrale bank, bovenop de inflatie. Die wordt, door de verhoging van onder meer de BTW, toch al hoog volgend jaar. Het Centraal Planbureau (CPB) schat zo'n 3,25 procent.

Het is geen wonder dat de centrale bank zich zorgen maakt over de gevolgen van zo'n bestedingsimpuls van 5,25 procent. Die zou de inflatie blijvend naar een hoger niveau kunnen tillen, zeker als opvolgende looneisen zich weer op dat inflatiecijfer baseren. En het griezelige is dat er weinig tegen te doen valt: de fiscale beloftes zijn door het kabinet al gedaan, en kunnen niet worden teruggedraaid.

Wat nog wel kan, en waar Wellink ook toe oproept, is om alle meevallers die het kabinet nog in de schoot vallen, niet uit te geven, maar in het begrotingsoverschot te laten lopen. Oproepen tot loonmatiging doet niet echt meer ter zake voor 2001: veel CAO's zijn al voor twee jaar afgesloten, en met de piekbeloningen voor managers is de stemming op de werkvloer er niet een van matiging.

Zo kan eigenlijk alleen worden gehoopt op een externe oplossing: een afkoeling van de belangrijke exportmarkten of een flinke matiging van het beursklimaat. Hopen op zo'n deus ex machina moet, zelfs voor beleidsmakers in een kleine, open economie als de Nederlandse, een beetje vernederend zijn.

    • Maarten Schinkel