Amerikaanse film over `Nosferatu'

De eerste film die acteur Nicholas Cage produceert, is een griezelfilm. Hij gaat over het maken van de Duitse klassieker `Nosferatu'.

Als Hollywood de Europese filmgeschiedenis gaat herschrijven, kunnen er vreemde misverstanden ontstaan. De debuterende scenarioschrijver en regisseur (respectievelijk Steven Katz en E. Elias Merhige) van Nicolas Cage's eerste film als producent, Shadow of the Vampire, menen in de Duitse expressionistische klassieker Nosferatu (F.W. Murnau, 1922) een documentaire over een vampier te herkennen. Bij enig doorvragen na de première van Shadow of the Vampire, in de Quinzaine des Réalisateurs van Cannes, blijkt die indruk vooral te zijn ontstaan door een foto van de opnamen, waarop Murnau en zijn medewerkers witte jassen en donkere brillen dragen, zoals gebruikelijk in de vroege Duitse filmindustrie, dus leken het wel wetenschappers. Bovendien hebben Merhige en Katz in de naslagwerken `zo goed als geen informatie' kunnen vinden over Max Schreck, de acteur die een legendarische Dr. Orlok speelde in Nosferatu. Tsja, Schreck had zijn naam niet mee, maar zelfs de cd-rom van Cinemania weet dat hij leefde van 1879 tot 1936 en in minstens vijftien films speelde. Het in Luxemburg opgenomen Shadow of the Vampire maakt van hem een echte ondode uit de Slowaakse Karpaten, met wie Murnau (John Malkovich) een duivels pact heeft gesloten: er wordt alleen 's nachts gedraaid, en als hij zich niet vergrijpt aan de andere filmmedewerkers, mag hij in de slotscène doen wat hij wil met de nek van hoofdrolspeelster Greta Schroeder. Willem Dafoe's vertolking van Schreck is een triomf van special make-up (mede dankzij de Nederlandse grimeur Leendert van Nimwegen), maar verder vooral grotesk. Murnau's vermeende balanceren op de rand van fictie en realiteit heeft niets met het expressionisme van doen, en lijkt wel onbedoeld te verwijzen naar de verhouding tussen regisseur Werner Herzog en acteur Klaus Kinski bij de remake van Nosferatu uit 1979.

Traditiegetrouw heeft het festival van Cannes de sterkste films aan het begin en aan het einde geprogrammeerd. De competitie bevat in de middelste dagen weinig echt opvallends, met uitzondering van Chunhyang, bijna de honderdste film van de Zuid-Koreaanse grootmeester Im Kwon-taek. Net als in Ims Sopyonje (1993) wordt een legende verteld die muzikaal voortgedreven wordt door een zogeheten pansori, een opera-achtige ballade van monotone schoonheid. Voor westerse oren klinkt dat niet gemakkelijk, maar wie zich niet, zoals velen tijdens de persvoorstelling, na een kwartier laat verjagen, ziet een serene, rigide film die er wezen mag.