Turkse voetballers geen kanonnenvoer meer

Galatasaray is de eerste Turkse club die de finale van een Europees voetbaltoernooi heeft bereikt. Lang waren de Turken slechts figuranten in het internationale voetbal, morgen staan ze in de eindstrijd van het UEFA-Cuptoernooi.

Als soldaten op weg naar de oorlog werden de voetballers van Galatasaray gisteren uitgezwaaid voor de reis naar Kopenhagen voor de UEFA-Cupfinale tegen Arsenal. Uit alle luidsprekers op het vliegveld van Istanbul klonk het verenigingslied van de landskampioen. Het is ook niet niks: Galatasaray is de eerste Turkse ploeg, die de eindstrijd van een Europees clubtoernooi bereikt.

Nog niet zo lang geleden waren de Turkse vertegenwoordigers kanonnenvoer in het Europese voetbal. Turken zijn doorgaans technisch begaafde voetballers, maar komen vaak tactisch te kort en hebben tevens de neiging op belangrijke momenten hun hoofd te verliezen. Dat was op internationaal niveau jarenlang goed zichtbaar. Het kwam slechts sporadisch voor dat een Turkse vertegenwoordiger één of zelfs twee ronden van een bekertoernooi wist te overleven. Overal in Europa werden de ploegen massaal door in het buitenland woonachtige landgenoten gesteund. Bijna altijd liep zo'n samenkomst op een deceptie uit.

En als er eens succes werd behaald, dan stond het land meteen in vuur en vlam. Het grootste feest werd gebouwd na een 1-1 gelijkspel in en tegen West-Duitsland. Het was de eerste wedstrijd voor de voorronde van het EK van 1972 en de Duitsers hadden het net een paar maanden eerder in Mexico tot de halve finale van het WK van '70 geschopt. Dus werd het gelijkspel door de Turken als een klein wonder beschouwd.

De kranten schreven weken over het fraaie resultaat en de spelers werden luid bejubeld. Een half jaar later kwam er een abrupt einde aan de euforie. De return in Turkije werd simpel met 3-0 door Duitsland gewonnen en in dezelfde voorronde verloor het Turkse elftal daarna ook nog met die cijfers van het nietige Albanië. Zo verging het de Turken vaak. Tot voor vier jaar geleden, toen de nationale ploeg zich voor het eerst sinds het WK van 1954 weer voor een eindronde, het EK van '96, wist te kwalificeren. Ook bij het komende EK zijn de Turken van de partij.

Toch zijn de problemen van vroeger zeker niet overal opgelost. Nog steeds werken verscheidene Turkse topclubs met ouderwetse methoden, hebben ze een krakkemikkig trainingscomplex en een slechte organisatie. Kwalitatief gezien vormt Galatasaray een uitzondering in Turkije. De club, waar Feyenoorder Uli van Gobbel een paar seizoenen speelde, werd afgelopen week alweer voor de vierde achtereenvolgende keer landskampioen en won eerder ook al de nationale beker. De finale in Kopenhagen werd bereikt, nadat Galatasaray eerst in de Champions League (poule met Chelsea, AC Milan en Hertha BSC) werd uitgeschakeld en daarna in het UEFA-Cuptoernooi Bologna, Borussia Dortmund, Real Mallorca en Leeds United versloeg.

Om dat alles te bewerkstelligen heeft Galatasaray zich diep in de schulden gestoken. Hakan Sükür, de topscorer van de ploeg, zei vorige week in een interview dat hij en zijn ploeggenoten al acht maanden geen premies hebben ontvangen. Voor Turkse begrippen heeft Galatasaray een peperdure ploeg. De club zoekt zijn heil vooral in buitenlandse dertigers, zoals de Braziliaanse keeper Taffarel (34 jaar) en de Roemeense zwagers Hagi (35) en oud-PSV'er Popescu (32).

De razend populaire Sükür (28) is een van de lokale vedetten van de ploeg. Hij is de enige Turkse topvoetballer die in het buitenland speelde. Sükür vertrok in 1995 met veel bombarie naar het Italiaanse Torino, maar keerde weer snel met heimwee terug naar huis. De Turkse topspelers willen niet naar het buitenland. Ze worden in eigen land immers als koningen behandeld.

Vroeger konden de Turkse clubs zich financieel niet meten met buitenlandse ploegen. Zo had Galatasaray in de begin jaren zeventig interesse voor Ajax-speler Dick van Dijk. De inmiddels overleden spits kwam voor zijn overgang naar Amsterdam uit voor FC Twente. Maar toen het Franse Nice zich ook meldde voor de man die in de Europa-Cupfinale van 1971 tegen Panathinaikos scoorde, waren de Turken kansloos. Ajax bood snel een veel goedkopere speler, de onbekende Gerard Schonewille uit het tweede elftal, aan maar de bestuursleden van Galatasaray hadden geen interesse en dropen teleurgesteld af.

Galatasaray is vernoemd naar een vermaard lyceum in Istanbul en werd in 1905 – achttien jaar voor de stichting van het moderne Turkije – opgericht door een aantal leerlingen. Het is van huis uit de club van het rijke deel van de stad. Galatasaray, bijnaam Cim Bom Bom, behoort tot de Grote Drie uit Istanbul. Besiktas en Fenerbahce zijn de andere twee. De onderlinge rivaliteit is groot en ontaardt soms in onverkwikkelijke taferelen tussen de fanatieke supportersgroepen. Iedereen in de stad en ook ver daarbuiten heeft zijn voorkeur. Het is rood-geel (Galatasaray), blauw-geel (Fenerbahce) of zwart-wit (Besiktas).

Rood-geel heeft dit seizoen in die concurrentiestrijd veel aanzien geoogst. Door het recente landskampioenschap heeft Galatasaray voor het eerst afstand genomen van Fenerbahce. Galatasaray staat nu op veertien titels, Fenerbahce op dertien. En als de ploeg van oud-speler en international Fatih Terim (elf jaar in de verdediging bij Galatasaray) morgenavond in Kopenhagen ook nog Arsenal verslaat, zullen zelfs blauw-geel en zwart-wit voor de eeuwige vijand op de banken staan.