Raad voor Cultuur is funest voor artistiek klimaat in Nederland

De decadente democratische verhoudingen in de kunstensector moeten worden doorbroken, want consensus schaadt vernieuwing. Schaf daarom de Raad voor Cultuur af en laat eigenzinnige individuen de subsidies verdelen, bepleiten Caroline Berkenbosch en Ranti Tjan.

In het poldermodel gaat het om het nemen van besluiten waarin alle partijen zich kunnen vinden. De partijen accepteren elkaars achtergrond, men tolereert verschillende belangen en vanuit die status quo probeert men een oplossing te vinden in de verdeling van schaarse middelen. Bij dit model is geen hiërarchie tussen de partijen, men is aan elkaar gelijk, de arbeider heeft evenveel te zeggen als de rentmeester. Ieder is onmisbaar en zo punnikt Nederland zich tot een grote lappendeken van netwerkjes. Zo gaat het in diverse geledingen van de samenleving, en zo gaat het ook in de wereld van kunst en de Raad voor Cultuur.

Gisteren verscheen opnieuw een Salomonsoordeel van de Raad voor Cultuur. Als staatssecretaris Rick van der Ploeg de adviezen overneemt, komt voor periode 2001-2004 vast te staan welke kunstinstellingen door de Nederlandse staat worden gesubsidieerd.

Hoe komen zulke beslissingen tot stand? Rond de tafel zitten een kunstenaar, een ambtenaar, een criticus, en een museum- of theatermedewerker. Er komt een virtuele zak met geld op tafel, en de commissieleden bepalen (o nee, ze adviseren) waar dit geld naar toe moet. Er wordt gewikt en gewogen en met feilloze precisie wordt een kwartje hier en een dubbeltje daar neergelegd en een gulden de diepte ingeworpen.

De commissieleden hanteren newspeak, zoals: het gaat over kwaliteit, oorspronkelijkheid, zeggingskracht, innerlijke noodzaak. Ze signeren dat ze geweest zijn en beuren drie meiers per persoon. De ambtenaar maakt er een soort procesverbaal van. Vervolgens kijkt de minister, de wethouder of de directeur van het fonds ernaar en hamert het Salomonsoordeel tijdens een raads- of bestuursvergadering naar de realiteit.

Het grote probleem van dit model is dat consensus meestal haaks staat op persoonlijke overtuiging. Consensus duidt op een tijdelijke overeenstemming van meningen. Bij de subsidieaanvragen komen culturele instellingen tegenover de adviescommissies te staan. Beide partijen zijn tot elkaar veroordeeld in een anoniem spel van vraag en aanbod. Smakeloos is het trachten te verwerven van steun, het lobbywerk, de dubbelfuncties en de belangenstrijd.

De ontstaansgeschiedenis van een kunstwerk daarentegen, is subjectief en niet democratisch. Kunstwerken – dat maakt ze zo boeiend – zijn gemaakt omdat een kunstenaar dat wil. Herkenning daarvan gebeurt op individuele basis, niet doordat er sprake is van een massapsychose, marketing of consensus. Goede culturele instellingen worden geleid door individuen, niet door vergaderingen. Maar heel Nederland is in de greep van een decadente vorm van democratie. Het overleg mislukt, als een persoon geen newspeak hanteert, een hele andere taal spreekt, of, nog erger, juist het bijzondere eert en de pest heeft aan consensus.

Staatssecretaris Van der Ploeg zou daarom de Raad voor Cultuur moeten afschaffen en in plaats daarvan een club intendanten aanstellen. Dat is een maatregel waarmee hij zich werkelijk kan profileren. Voor iedere discipline moet dan een full time intendant worden aangesteld, die voor de duur van twee jaar keuzes maakt. Een progammeur als Zekveld of een criticus als Schönberger voor de muziek, regisseurs als Van den Hove of Reijnders voor het theater, museumdirecteuren als Hoet of Haks voor de beeldende kunst, literatoren als Zeeman of Komrij voor de literatuur, filmkenners als Delpeut of De Kuijper voor de cinema, pioniers als Stikker of Adriaansens voor de nieuwe media. Dit zijn allemaal volwassen mensen met oog voor het nieuwe. Na de oude cultuur van het poldermodel, kunnen we verder met een nieuwe cultuur van de uitgesproken voorkeur.

Met de keuze van de intendanten kan de staatssecretaris zich uitleven. Laat hem in een sollicitatieprocedure kiezen voor jong of oud, oud-Hollands of gewoon allochtoon, provinciaals of wereldwijd. Tegelijkertijd moeten de intendanten vrij zijn om te kiezen wie zich de komende twee jaar extra kan manifesteren. Ze verdedigen hun visie met vuur en vlam, voor de media, het publiek en collega's. Ze zijn aanspreekbaar, herkenbaar en verantwoordelijk.

Onlangs zei toneelregisseur Ivo van den Hove, dat het achterhaald is om het zakelijk en artistiek leiderschap te scheiden. Een directeur leidt immers een onderneming die in de eerste plaats artistieke winst moet zien te maken; culturele prestaties moet initiëren, presenteren, toelichten en, zo nodig, verdedigen. Dat moet iedere directeur bereiken, of het nu gaat om theater, museum of concertzaal. Dit is alleen te bereiken als zakelijk en artistiek leiderschap in dezelfde hand zijn. Dat is een premisse van de nieuwe cultuur. Bij de oude cultuur van gescheiden functies horen immers de bescheiden zakelijke doelstellingen dat de boeken kloppen, aan de ARBO-wet wordt voldaan en dat de overheid moet worden overtuigd.

In de jaren negentig heeft het poldermodel in Nederland voor verstikkende situaties gezorgd, ook in culturele instellingen waar artistieke consensus, politiek draagvlak en kunsthistorische verantwoording het klimaat bepalen. Laat nu eigenwijze intendanten en directeuren met passie voor, en visie op, de hedendaagse cultuur prevaleren. Het is tijd om de nieuwe cultuur ruim baan te geven. Niet via consensus van een raad, maar door de visie van overtuigende intendanten. Voor de politiek is daarvoor kiezen de kunst.

Caroline Berkenbosch is componist en Ranti Tjan is medewerker van het Centraal Museum in Utrecht.