Oorlog van burgers in uniform

In de vesting Willemstad aan het Hollands Diep begon de oorlog anders dan oorlogen in films beginnen. ,,Er hadden Nederlandse soldaten in ons huis geslapen, maar alles keurig achtergelaten', noteerde de Dordtse advocaat Jaap Burger op 16 mei 1940 met een zekere verbazing in het oorlogsdagboek dat hij sinds de eerste dag van de bezetting bijhield. Op de vierde dag van de oorlog was de toekomstige minister in het Londense kabinet in ballingschap naar Willemstad gereden om uit te zoeken of zijn ouderlijk huis de gevechtshandelingen had overleefd.

Over zijn moeder hoefde hij niet in te zitten, want die wist hij gezond en wel in Den Bommel, maar over haar huis was hij minder gerust, want dat stond midden in de gevarenzone. Een groot deel van Noordwest-Brabant was door het leger onder water gezet en het kostte Burger moeite over de nog berijdbare dijk Willemstad binnen te komen. Maar de ravage die hij had verwacht was de stad bespaard gebleven. Het was er onwerkelijk rustig – alsof de stad door de oorlog vergeten was of nog enig respijt had gekregen. Er was geen Duitser te bekennen en de Nederlandse militairen die de vesting moesten verdedigen, hadden in de gevorderde huizen alles aan kant gebracht voordat ze naar hun capitulatiebestemming waren vertrokken.

Van die door Burger beschreven militaire correctheid was geen woord overdreven. Jaap Burger (Oorlogsdagboek, bezorgd door Chris van Esterik, Amsterdam, 1995) vertelde nog maar de helft van het verhaal. Douwe Leij vertelt het ontbrekende stuk in zijn vorige week verschenen Willemstads Panorama, de geschiedenis van de mobilisatie aan het Zuidfront van de Vesting Holland. Leij, de zoon van een militair die in de meidagen van 1940 bij Willemstad was gelegerd, beschrijft de geschiedenis van de eerste oorlogsdagen uit militair gezichtspunt en hij doet dat met de nauwkeurigheid van een fourier die instaat voor zijn voorraadadministratie en elke uniformknoop kan verantwoorden.

Leij ziet geen bijzonderheid van de militaire gebeurtenissen in Willemstad over het hoofd en hij verhaalt daarvan feitelijk en zakelijk, zij het niet doorlopend onderhoudend. Lezers die zich aan dit soort militaire micro-geschiedenissen wagen moeten een sterke maag hebben. De schrijver laat niets aan de fantasie van zijn publiek over en documenteert alles. Elke marsorde, elk verplaatsingsbevel en elk wapen dat tot de uitrusting van het eerste bataljon behoort, krijgen de aandacht die ze volgens hem verdienen. Geen snipper papier uit de officiële en particuliere archieven, die hij voor zijn studie heeft leeggeschud, is aan zijn belangstelling ontsnapt. Toch heeft zijn angst voor onvolledigheid hem niet belet enkele belangwekkende hoofdstukken te schrijven, onder meer over de door hem bepleite rehabilitatie van militairen die naar zijn mening een onheuse strafrechtelijke veroordeling voor hun optreden in de vijf oorlogsdagen hebben opgelopen. Zijn boek is goed geïllustreerd en smaakvol vormgegeven en het is ook nog in eigen beheer uitgegeven (bij Signifikant in Oosterhout; ISBN 90-76295-05-0).

In Leij's boek gedragen de militairen die de vesting Willemstad moeten verdedigen zich tegen de burgerbevolking al net zo ordentelijk als de soldaten die het ouderlijk huis van Jaap Burger bewoond hebben. Vrachtwagens die gevorderd zijn voor het vervoer van militairen van het detachement Isaäcs, worden, intact of defect, na gebruik bij de eigenaars terugbezorgd. Kapitein Isaäcs is een militair van de meest rechtschapen soort. Alles wat zijn detachement verbruikt moet worden verantwoord. Hoeveel auto's zijn gevorderd en van wie, wat ermee gedaan is, hoeveel ermee gereden is, zelfs in welke staat van beschadiging de auto's verkeerden als ze moesten worden achtergelaten. Leij doet hier accuraat verslag van de achterzijde van de oorlog.

De mannen van Isaäcs willen de Nederlandse burgers van wie ze materiële offers gevergd hebben recht in de ogen kunnen blijven kijken. Aan de militairen van Isaäcs kan men met een gerust hart een fietspomp toevertrouwen en er zeker van zijn dat hij na gebruik c.q. vordering ordentelijk terugkomt. Over gevorderde en nog niet terugbezorgde verrekijkers wordt serieus gecorrespondeerd. Er raakt wel eens iets in het ongerede, maar het ministerie van Defensie doet zelfs in oorlogstijd zijn uiterste best alles naar redelijkheid te vergoeden.

Uit de administratieve verantwoording van de vorderingen waaruit Douwe Leij zijn voorbeelden put, blijkt dat Nederlandse militairen anno 1940 zelf in de eerste plaats burgers zijn en pas in de tweede plaats soldaten. Burgers verkleed in uniform. ,,In de bossen bij Huijbergen werd achtergelaten: a. de Ford van de firma M.G. vd. Horst in Fijnaart. Van der Horst kreeg zijn wagen op 18 mei terug; b. de Darvi 14, een vrachtauto merk International van expeditiebedrijf Darvi te Dinteloord. Op 22 juni 1940 werd de vrachtwagen nog steeds vermist; c. een vrachtauto van de firma W. Roelands.'

Alle lotgevallen van de gevorderde voertuigen worden beschreven, waar ze zijn ingezet, tot hoever ze zijn gekomen, maar ook of ze weer aan de rechtmatige eigenaar zijn teruggegeven. Waar dat niet gebeurd is, worden de formulieren voor de schadeloosstelling opgemaakt. De kapitein Isaäcs behandelt in eerste instantie persoonlijk de ingediende schadeclaims en staat waar mogelijk gedupeerde burgers en bedrijven bij. Uit Leijs boek komt de kapitein als een in alle opzichten gewetensvol man tevoorschijn. Isaäcs was misschien geen modale officier, maar hij was in alle geval een model-officier. Hij werd, volgens Leij, door zijn manschappen op handen gedragen, maar hij onderscheidde zich ook bij de verdediging van de strategische punten waar hij het bevel voerde in positieve zin. Als er meer officieren van zijn kaliber waren geweest, had het Nederlandse leger ongetwijfeld langer standgehouden, misschien niet tegen de Duitse luchtmacht, maar zeker tegen de Duitse grondtroepen.

    • Harry van Wijnen