`Onnodig geweld VS in Golfoorlog'

Een Amerikaanse topgeneraal gaf tijdens de Golfoorlog van 1991 opdracht tot illegaal dan wel onnodig of overmatig geweld tegen Iraakse burgers en militairen. Dat stelt de onderzoeksjournalist Seymour Hersh.

De topman van de Amerikaanse drugsbestrijding, generaal bd Barry McCaffrey, is gisteren ernstig in opspraak gekomen voor zijn rol in de Golfoorlog van 1991. De befaamde journalist Seymour Hersh schrijft in het weekblad The New Yorker dat McCaffrey twee dagen nadat een staakt-het-vuren van kracht was geworden opdracht gaf tot een onnodige aanval op Iraakse troepen die zich al aan het terugtrekken waren.

McCaffrey, die als `drugs-tsaar' deel uitmaakt van het kabinet van president Clinton, heeft de aantijgingen fel van de hand gewezen. ,,Hersh probeert de geschiedenis te herschrijven'', zei hij gisteren in een van de vele televisie-optredens waarin hij zijn reputatie verdedigde. Hersh, die naam maakte met zijn onthullende verslag van het bloedbad dat Amerikaanse troepen in de Vietnam-oorlog aanrichtten in het dorpje My Lai, wijst erop dat zijn artikel gebaseerd is op met name genoemde bronnen binnen de strijdkrachten.

In 1991, enkele maanden na het einde van de Golfoorlog, stelden de Amerikaanse strijdkrachten al een onderzoek in naar het gedrag van McCaffrey in de oorlog. Aanleiding daarvoor was een anonieme brief die het Pentagon had ontvangen waarin de generaal werd beschuldigd van oorlogsmisdaden. Maar het interne onderzoek concludeerde dat McCaffrey geen strafbare feiten ten laste gelegd konden worden.

Hersh schrijft nu in zijn artikel, dat meer dan dertig pagina's beslaat, dat de militaire onderzoekers onvolledig waren en cruciale getuigen niet hebben gehoord. ,,Het is binnen het leger in de doofpot gestopt.''

McCaffrey, die tal van hoge onderscheidingen had verdiend in Vietnam, voerde in de Golfoorlog als twee-sterren-generaal het bevel over de 24ste infanteriedivisie, die bestond uit 26.000 man en 8.600 voertuigen. Hersh gaat gedetailleerd in op drie gebeurtenissen.

Een aantal pantserwagens van de divisie van McCaffrey zou met hun zware machinegeweren een groep van meer dan 350 ontwapende Iraakse krijgsgevangenen (van wie sommigen gewond) zwaar onder vuur hebben genomen.

In een ander incident zouden Amerikaanse militairen een groep Irakezen in burger die zich overgaven en een witte vlag bij zich droegen, hebben beschoten. McCaffrey was niet persoonlijk bij deze beide acties betrokken, maar hij zou zijn mannen in het algemeen hebben aangezet tot buitensporig gebruik van hun vuurkracht. ,,Als je door een dorp rijdt en iemand gooit een steen naar je, schiet hem neer; als ze op je schieten, schiet terug met een tank'', zou hij zijn manschappen hebben voorgehouden.

De derde aantijging betreft gebeurtenissen op 2 maart, toen de grondoorlog (die honderd uur had geduurd) voorbij was, Irak uit Koeweit was verdreven en een staakt-het-vuren van kracht was. Volgens een voormalige collega van McCaffrey, luitenant-generaal b.d. James Johnson Jr., was ,,het niet meer nodig om op wie dan ook te schieten. Zij (de Irakezen, red.) wisten niet hoe gauw ze zich moesten overgeven. De oorlog was voorbij.''

Maar de divisie van McCaffrey, die tijdens de grondoorlog in een hoog tempo door de Iraakse woestijn was opgetrokken om de Iraakse troepen af te snijden van de hoofdstad Bagdad, zou nog in een bloedige confrontatie verwikkeld raken die bekend werd als de Slag van Rumaila. Volgens Hersh was de strijd echter zo ongelijk dat het geen veldslag was, maar een slachting.

Volgens Hersh hadden de troepen van McCaffrey hun opmars door Irak na het staakt-het-vuren nog even voortgezet. Bij een weg die van Koeweit naar Bagdad liep, kwam een grote kolonne van de Republikeinse Garde die op terugtocht was hen tegemoet. De Iraakse tanks werden op opleggers meegevoerd, hun loop hadden ze naar achteren gericht om aan te geven dat ze geen agressieve bedoelingen hadden. Geen moment zouden de Amerikaanse troepen echt bedreigd zijn, aldus Hersh.

Maar McCaffrey zou een paar losse schoten van paniekerige Irakezen hebben aangegrepen om een massale tegenaanval in te zetten die pas na vier uur voorbij was, toen alle 700 Iraakse tanks, pantserwagens en vrachtwagen compleet verwoest waren. Hoeveel Irakezen (onder wie burgers en ook kinderen) er bij zijn omgekomen is onbekend. Van de verwoeste kolonne zijn geen televisiebeelden gemaakt (zoals wel gebeurde van de ravage die luchtaanvallen aanrichtten onder een vluchtende kolonne even buiten Koeweit Stad, op wat later de Highway of Death werd genoemd).

McCaffrey rechtvaardigt de actie door erop te wijzen dat zijn troepen onder vuur kwamen te liggen van de Irakezen en dat hij zijn mannen moest beschermen. ,,Hersh zegt dat de Irakezen zich terugtrokken. Maar hij was niet degene die zag hoe een troepenmacht van honderden Iraakse tanks, trucks en pantserwagens, over een front van vijf mijl breed, naar hem optrok. De Irakezen vuurden op de Amerikaanse troepen.'' Als ik niet het bevel tot de aanval had gegeven, aldus McCaffrey, dan hadden ,,analisten niet gevraagd of ik te agressief was geweest, maar dan zouden ze me terecht hebben verweten dat ik niets had gedaan terwijl een omvangrijke aanval van de vijand dreigde.''

De vraag is er een van maatvoering, schrijft de hoofdredacteur van The New Yorker in een begeleidend artikel. Ging de generaal te ver?

Na de Golfoorlog maakte McCaffrey nog herhaaldelijk promotie, tot hij de strijdkrachten in 1996 als viersterrengeneraal verliet. President Clinton benoemde hem tot zijn hoogste adviseur in de internationale strijd tegen drugs. Joe Lockhart, de woordvoerder van de president, noemde het artikel van Hersh gisteren ,,een goedkope poging om een functionaris onderuit te halen en zo de carrière van een journalist nieuw leven in te blazen''.