In Enschede

De ramp wordt een abstractie als je het centrum van Enschede binnenloopt. Het is een ziedende zomerdag en de terrassen op de Oude Markt zitten vol vrolijke, genietende mensen.

Enkele kilometers verderop, benoorden het spoorwegstation, daar is het allemaal gebeurd. Maar de plek is nog altijd hermetisch afgesloten, alleen de bewoners zullen 's avonds in busjes naar deze kern worden gereden, naar hun huizen die er niet meer zijn.

In de loop van de middag wordt de zogeheten `tweede ring' rond de plaats van het onheil vrijgegeven. Eerst voor de bewoners, dan voor het publiek. Het ramptoerisme komt pas tegen de avond aarzelend op gang. Auto's rijden langzaam langs de hekken, er zijn veel wandelaars. Maar er is hier weinig te zien. Veel houten schotten in gevels en glassplinters in de goot.

Bij gebrek aan beter zijn de media de enige bezienswaardigheid van de ramp geworden. Het centrum is herschapen in het decor van een provinciestad, waar een Amerikaanse filmregisseur zijn tenten heeft opgeslagen voor de opnamen van zijn oorlogsfilm. Maar de sterren van nu zijn de tv-presentatoren. Op het pleintje voor het stadhuis drentelen ze, gadegeslagen door tientallen Enschedeërs, zelfbewust heen en weer tussen de vele reportagewagens. Een internationale parade van ijdelheid. Veel moeite voor weinig. Een stand-upje voor de camera kost al gauw een klein half uur aan gedoe.

Margriet Brandsma van het NOS-Journaal, die voor elke opname snel een zwart jasje over haar witte truitje aanschiet, maakt plaats voor een ploeg van het Amerikaanse NBC. De verslaggever heeft vier vaste technici bij zich. Hij is gehuld in beige zomerkledij en draagt een dun laagje pancake op zijn gezicht. Hij slaagt er niet in een tekst van vier, vijf regels uit zijn hoofd te leren. De regisseur heeft ze nu maar in rode blokletters op een blocnote geschreven, die hij boven de camera houdt. Ik lees: ,,One of the worst disasters in Holland's history'' en de slotzin: ,,How could this happen?''

Morgen gaan ze weer weg, naar een andere brandhaard waar ze niets bijzonders over te melden hebben. Het moet een vervreemdend bestaan zijn: altijd strikt gescheiden van de plekken van het onheil, altijd afhankelijk van informatie uit de tweede of derde hand.

Het geldt in dit stadium in feite voor alle media. Je voelt het aan de machteloosheid van de vragenstellers tijdens de persconferentie in de raadzaal. Cijfers in overvloed: over de doden, de gewonden en de vermisten. Maar naarmate de vragen specifieker worden en de verantwoordelijkheden van de instanties scherper aftasten, worden de reacties van de autoriteiten achter de tafel vager en ontwijkender: ,,Het antwoord op deze vraag is in voorbereiding.'' Op de persconferentie van zes uur 's avonds blijft de brandweer maar helemaal weg dat scheelt weer een hoop lastige vragen.

Buiten, voor de kledingzaak van Jan de Lange, kijkt een vuttende, kortgebroekte Enschedese man naar de tv-sterren. Een oude dame met een klassiek permanentje komt naast hem staan, een boodschappentas in de hand.

,,Allemaal journalisten'', zegt de man.

,,O'', zegt de dame.

,,Van de media.''

,,O. Waarom?''

,,Vanwege de ramp.''

,,De ramp?''

,,Ja, heeft u het niet gehoord?''

,,Ik weet niks.''

,,Er is een ramp gebeurd.''

,,Waar dan?''

,,In Roombeek.''

,,Ik weet van niks.'' Ze zegt het zonder verbazing.

De man neemt haar even van opzij op. Dan schakelt hij over op de geduldige toon van een vader die zijn kindje iets fundamenteels over het grotemensenleven moet uitleggen. ,,Het was één grote bal van vuur en die ging van huis tot huis.''

,,Zo.''

,,Er zijn nog veel mensen vermist.''

,,Dat zal wel.''

De vrouw kijkt nog even naar de bezige brengers van het wereldnieuws op het pleintje. ,,Nou meneer, bedankt, dag hoor.''

    • Frits Abrahams