Dag Emma

Wat gebeurt er met de personages van een roman-in-wording als de schrijver uitvalt? Die zijn schijndood. Het is te sneu voor woorden; amper geconcipieerd of ze komen al voor onbestemde tijd in een schemertoestand terecht, een soort voorgeborchte voor het hier en nu. Een gezicht hebben ze nog niet, een echt karakter evenmin, laat staan een geschiedenis, levenservaring. Ze willen niets liever dan aan het leven beginnen, maar hun gids, de leidspersoon die hen naar hun bestemming zou voeren, heeft het opeens laten afweten.

Wat nu? Afwachten tot hij weer komt opdagen, er zit niets anders op.

Wat ze niet weten, is dat hun ijle verschijningen nog wel degelijk in het hoofd van de schrijver (schrijfster in dit geval) opduiken. Zij kan zich op dit moment niet met hen bezighouden, omdat ze nog aan het herstellen is van een beroerte. Een roman – vooral een in zo'n pril stadium – eist nog veel te veel concentratie. Maar dat wil niet zeggen dat ze niet aan hen denkt. Twijfel aan de hele onderneming is mijn grondhouding bij het werken aan elk nieuw boek (heeft Harry Mulisch dat ook wel eens?), maar nu is daar extra reden toe. Als over een poosje alles weer in orde is in mijn hersenpan (laat ik liever zeggen: als het weer als vanouds is) zie ik dan nog iets in dat boek? Wil ik de aarzelend uitgezette lijnen dan nog volgen? Veranderen die schimmige hoofdpersonen dan wel in mensen van vlees en bloed?

Een van de personages woont bij mij in de buurt, in de vijf- of zesentachtigste straat, veertien hoog. Zijn flat kijkt leuk over Central Park uit en heeft een reusachtig waterreservoir op het dak. (Nu ik hier woon, zal ik me de kans niet laten ontgaan dat fascinerende, typisch New-Yorkse verschijnsel van de `watertoren' op het dak te beschrijven. Bestaan daar fotoboeken over? IJzeren trappen en balkonnetjes in Soho, ja, dat weet iedereen, maar het waterreservoir? Hier ligt een mooie taak voor uitgeverij De Bosbespers, na de boekjes over deursloten en duiventorens). Als ik 's avonds uit het raam kijk, tekent die gigantische waterton zich zwart tegen de avondhemel af en kan ik daaronder zijn verlichte raam zien. Wat is hij aan het doen? Ik heb geen idee. Trouwens, al kwam ik hem op straat tegen, dan herkende ik hem niet. Hij had nog geen uiterlijk. Hij zal intussen toch niets gedaan hebben waar ik het niet mee eens ben? Van beroep veranderd, verliefd zijn geworden, een piercing genomen hebben. Je weet het niet. Ze mogen dan schijndood zijn, die personages, zodra je niet meer op ze let, halen ze de gekste dingen uit. Hij was nogal saai, en voor je het weet is hij `working on himself'.

Toen ik laatst een knoop aan een jasje zette en me daarbij lelijk in mijn linkerhand prikte, had er opeens eentje commentaar. Dat was de zeventigjarige, Haagse kleermaker, die voor het laatst een pak aan het maken is. ,,Ja, ieder z'n stiel'', zei hij. ,,Enne..., als je nog lang wacht, dan hoeft het misschien niet meer.''

Vermoedt hij al dat hij het eind van het boek niet zal halen? Ongetwijfeld. Maar hij neemt het mij niet kwalijk; hij is niet zo'n zeikerd die zijn eigen dood niet onder ogen kan zien.

Een van hen zie ik net iets levendiger dan de anderen. Dat is Emma. Vijftien jaar. Als ik zou zeggen dat ik haar lief vind, zou ze mij een verachtelijke trut vinden; lief is wel het laatste wat ze wil zijn en ze doet er alles aan om ook niet de schijn te wekken. Het zoetelijke, blonde haar waar ze van nature mee behept is, is sinds een paar weken blauwzwart; nu lijkt ze zeventien en tenminste niet meer zo'n achterlijke maagd.

Kijk, daar loopt ze juist. Ze heeft een blauw truitje aan – met een vriendin geruild voor de witte broek die haar moeder `juist zo enig' vond, maar waar ze een kont van heb-ik-jou-daar in had.

,,Dag Emma'', zeg ik.

,,Hallo'', zegt ze verbaasd. Maar ze is netjes opgevoed en daar zit je dan maar mee.

,,Wie is dat mens?'' vraagt ze aan haar vriendin. ,,Waar kent die mij van?''

,,Weet ik dat?'' zegt haar vriendin. ,,Een kennis van je ouders of zo.''

,,Ggggg'', doet Emma.

Lief. Ik kan het niet helpen. Mijn vocabulaire past zich nog wel aan. Ik heb de tijd.